Gemeenten bang voor minder investeringen

TERNEUZEN, 22 NOV. “De onroerend zaak belasting die deze bedrijven nu betalen is al gigantisch hoog”, zegt K.G. van der Hoofd, wethouder van financiën in Terneuzen. “Vijftig procent van onze inkomsten uit deze belastingvorm wordt opgebracht door de bedrijven die hier zitten. Daarvan neemt alleen Dow Benelux al 20 procent voor zijn rekening”.

Terneuzen heeft met vergelijkbare steden laten onderzoeken wat de gevolgen zijn van een nieuw verdeelsysteem voor uitkeringen die gemeenten uit het Gemeentefonds krijgen. Daaruit blijkt dat gemeenten met - extreem - grote industrieën er in de toekomst flink op achteruit dreigen te gaan doordat ze worden geacht zich zelf goeddeels te kunnen bedruipen met de onroerende zaak belasting OZB (voorheen de onroerend goed belasting genoemd), die door deze ondernemingen zou moeten worden opgebracht. Het komt er op neer, dat het nieuwe verdeelstelsel uitgaat van een gemiddelde opbrengst aan belasting van 25,1 procent van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. Uit het onderzoek dat Terneuzen, Geleen en Velsen hebben laten doen blijkt nu dat de norm voor deze gemeenten daar steeds beduidend boven zit. Dat betekent weer dat een meer dan gemiddelde heffing uit eigen inkomsten wordt verwacht. Bovendien gaat het in deze gemeenten om een situatie waarin de OZB-opbrengst van deze ondernemingen een relatief hoog aandeel heeft in de totale OZB-opbrengst.

Een andere - ongunstige - wijziging wordt gevormd door de nieuwe maatstaf, die 'omgevingsadressendichtheid' wordt genoemd en die de norm 'hoogte bebouwde kom' moet gaan vervangen. Met die laatste norm sprong een gemeente als Terneuzen er tot nu toe relatief gunstig uit, omdat die hoogte van de bebouwde kom mede werd bepaald door de 'piping' van Dow. Nu die maatstaf verdwijnt en Terneuzen moet gaan werken met het begrip 'omgevingsadressendichtheid' pakt deze rekenmethode buitengewoon ongunstig uit. Het onafzienbare bedrijfsterrein van Dow Benelux geldt immers als slechts één adres, terwijl bovendien veel van de 2.800 werknemers van Dow Benelux niet in Terneuzen wonen, maar daar wel werken. “Dat betekent dus dat je voor die mensen geen uitkering meer krijgt uit het fonds. Maar omdat ze hier werken, draaien we wel op voor de kosten van zaken als infra-structuur, die nodig zijn om een bedrijf als Dow te kunnen laten draaien”.

“Het beperkt zich echter niet alleen tot de infrastructuur. Het is duidelijk dat je als gemeente bijvoorbeeld ook een aantal culturele voorzieningen moet treffen om het voor die werknemers redelijk aantrekkelijk te maken. Er wordt wel beweerd dat je als gemeente niets kunt doen aan de werkgelegenheid, maar als een gemeente zo'n bedrijf niet een beetje prettig stemt kun je er natuurlijk op rekenen dat het op termijn vertrekt naar een gunstiger bestemming”, aldus Van der Hoofd. C. Goossen, hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Terneuzen voegt daaraan toe: “Wat ook vaak over het hoofd wordt gezien is dat het gemeentelijk apparaat een stuk duurder uit is met dit soort bedrijven, onder andere omdat je hele specifieke ambtenaren nodig hebt. Op de naleving van milieu-eisen, om een voorbeeld te noemen, moet worden toegezien door hoog opgeleide chemici. Daar kun je je bij een bedrijf als Dow wel iets bij voorstellen”.

Op het punt van de onroerend zaak belasting knelt vooral de economische waarde die een bedrijf vertegenwoordigt. “Dat is een hele complexe wijze van berekenen”, zegt Goossen. “En bovendien is die berekeningswijze heel arbitrair. Een uniforme, objectieve vaststelling van de waarde van zo'n bedrijf is onmogelijk, hoewel de nieuwe regeling dat wel eist. Het is bijvoorbeeld de vraag of je bij een taxatie de zogeheten 'werktuigenvrijstelling' toepast en als je dat doet in welke mate. Er zijn ook geen standaarden voor afschrijvingstermijnen voor investeringen in dergelijke complexen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met zaken als 'functionele veroudering' door bijvoorbeeld excessieve gebruikskosten. Hoe is de bereikbaarheid van het complex, zijn er nog genoeg parkeerplaatsen, wordt de vestiging optimaal benut en hoe zijn de produktie- en marktomstandigheden waarin het bedrijf opereert. Het is dus maar net wanneer en hoe je gaat taxeren. Dat hele complex van factoren veroorzaakt verschillen in de vaststelling van de economische waarde. En dat kan weer uitmonden in gigantisch uiteenlopende hoogten van aanslagen onroerende zaak belasting”, aldus Goossen. “Daarover krijg je gemakkelijk forse conflicten met een bedrijf, zo voorzie ik”, zegt Van der Hoofd. “In het geval van Dow komt het er in elk geval op neer dat het bedrijf ettelijke tonnen per jaar meer zou moeten gaan betalen aan onroerende zaak belasting”.

De conclusie van de onderzoekers is dat ernstige problemen kunnen worden vermeden als bij de taxatie van de economische waarde van zo'n bedrijf een maximum wordt gehanteerd van 250 miljoen gulden. Het aantal gemeenten dat aldus een 'status aparte' krijgt is dan beperkt. Het is volgens de onderzoekers bovendien een minimale ingreep in de voorstellen die op het ogenblik ter tafel liggen om te komen tot een andere verdeelsleutel voor de uitkeringen uit het gemeentefonds. De gemeenten die het onderzoek hebben laten verrichten hebben de bevindingen inmiddels naar de Raad voor de Gemeentefinanciën en de Raad van State gestuurd, die de regering moet adviseren over de plannen.

“Waar wij vooral bang voor zijn”, zegt Van der Hoofd, “is niet zozeer dat een bedrijf als Dow ineens zijn biezen pakt. Het gevaar dient zich meer op de langere termijn aan. We zitten tien kilometer van de Belgische grens en het is duidelijk dat België er alles aan doet om een voor bedrijven zo vriendelijk mogelijk klimaat te creëren. Als de relatie met zo'n bedrijf verslechtert zou dus heel goed kunnen zijn dat bij het plegen van grote nieuwe investeringen wordt besloten die in het buitenland te doen. In dat geval wordt de zaak hier 'afgebouwd' en is het bedrijf hier op een termijn van een aantal jaren verdwenen”, aldus Van der Hoofd. “Misschien kunnen gemeenten, zoals wordt beweerd, inderdaad weinig doen aan het scheppen van werkgelegenheid. Maar ik ben er wel van overtuigd dat we met een gezamenlijke inspanning van gemeente én rijk heel veel kunnen doen aan het vasthouden daarvan”.