'We zijn nog niet klaar voor vrijhandelszone met Amerika'

BRUSSEL, 21 NOV. Sir Leon Brittan (56) is al zes jaar lang het Britse Conservatieve geweten van de Europese Commissie. Gerespecteerd om zijn intelligentie en werkdrift, gehaat om zijn eigengereidheid en bemoeizucht en gevreesd om zijn scherpe tong. Het Europa van Sir Leon is een Europa met open deuren. Woedend waren de Fransen toen hij twee jaar geleden, in hun ogen, uitverkoop hield van Europese belangen tijdens de GATT-onderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel. Momenteel onderhandelt Brittan namens de Europese Unie met de Verenigde Staten over een actieprogramma voor vernieuwing en verbreding van de betrekkingen. Dat programma moet begin december zijn beslag krijgen op een Euro-Amerikaanse top te Madrid, in aanwezigheid van president Bill Clinton.

Brittan is een evenwichtskunstenaar. Op een foto in zijn werkkamer in het Brusselse Berlaymontgebouw poseert hij met zijn Amerikaanse tegenspeler in handelsconflicten, Mickey Kantor. Een andere foto toont de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, geflankeerd door Brittan en de Franse premier, Alain Juppé. “Christopher is kleiner dan wij beiden”, schetst sir Leon de onderlinge verhoudingen met een glimlach.

Niet zo lang geleden haalde u moeiteloos de voorpagina's van kranten, als architect van het GATT-akkoord. De laatste tijd opereert u in de luwte. Vindt u het nog leuk hier?

“Jazeker. Ik beschouw koppen in de media niet als enig bewijs dat mijn werk interessant en waardevol is. Ik krijg trouwens genoeg publiciteit. Sinds het afsluiten van de Uruguay-ronde was er meer dan genoeg te doen. We zijn nu bezig met de VS, in de aanloop naar de top in Madrid. We werken aan onze relatie met Japan en China, en bereiden een Euro-Aziatische top voor. We hebben het voortouw genomen in de onderhandelingen over wereldwijde liberalisering van financiële diensten en we hebben de Amerikanen overtuigd daarbij betrokken te blijven.”

Vorig jaar was een rampjaar. U werd gepasseerd bij de opvolging van Jacques Delors als voorzitter van de Europese Commissie. En niet u, maar uw rivaal Hans van den Broek, kreeg in de Commissie de belangrijke portefeuille 'Oost-Europa'.

“Ik zou het missen van het voorzitterschap geen ramp noemen. Het was niet onmogelijk, maar ook niet erg waarschijnlijk dat ik het zou worden.”

Toen Van den Broek 'Oost-Europa' kreeg, was u zo teleurgesteld dat u overwoog naar Londen terug te keren.

“Maar dat deed ik niet.”

Spreken we niet met een gefrustreerde commissaris?

“Zie ik er zo uit? Absoluut niet. Ik ben dankzij mijn functie hier goed in staat een belangrijke rol te spelen in de discussie in Groot-Brittannië over Europa. Ik kan mijn landgenoten uitleggen wat het belang is van de Europese Unie en wat de noodzaak is daarin een positieve en constructieve rol te spelen. Vreemd genoeg word ik niet gezien als iemand die in Brussel is geïnfecteerd met het eurovirus. Natuurlijk zijn sommigen het niet met me eens, maar ze weten dat ik hier ben om te vechten voor een Europa waarin veel mensen in Groot-Brittannië zich comfortabel voelen. Een Europa dat openstaat voor de buitenwereld, ingesteld is op vrijhandel, en dat niet al te 'dirigiste' is.”

Hoe is uw relatie met Van den Broek? Drinkt u wel eens een pint met hem?

“Net zo vaak als met de anderen. En dat is niet zo vaak. Het sociale leven in de Commissie is niet zo actief.”

Is dat onder voorzitter Jacques Santer anders dan onder Delors?

“Niet wat dat betreft. Maar iedere president heeft natuurlijk zijn eigen manier om de Commissie te leiden.”

De huidige Commissie houdt een zeer laag profiel aan. De visionair Delors zou al lang een blauwdruk klaar hebben voor de Intergouvermentele Conferentie (IGC) van volgend jaar.

“U overdrijft. De onderhandelingen over financiële diensten, het herdefiniëren van de relatie met de VS, het ontwikkelen van relaties met Japan, met China, met Azië - dat is toch niet low profile. Voor de IGC hebben we afgelopen voorjaar al enkele ideeën op papier gezet. De laatste keer dat Delors zijn toekomstplannen voor Europa presenteerde [in de aanloop naar het Verdrag van Maastricht], werden die zeer slecht ontvangen. De les die je daaruit kunt trekken, is dat je goed moet letten op timing en niet direct in het begin plannen op tafel moet leggen. Want dat is misschien de meest voor de hand liggende, maar niet per definitie de meeste effectieve manier om invloed uit te oefenen.”

U bent nu bezig met de voorbereidingen van de Euro-Amerikaanse top in Madrid. Is het Amerika-beleid het belangrijkste in uw portefeuille?

“Van alle externe betrekkingen van de EU is de relatie met de VS de belangrijkste. Politiek en economisch. Dat wil niet zeggen dat we geen andere dingen kunnen doen, met Japan en China. Maar het aanhalen van de relatie met de VS vinden we zeer belangrijk. Die boodschap willen we afgeven in Madrid, bij het bezoek van Clinton.”

Waarom wordt daar zo aan gehecht? Is de verhouding met de Amerikanen zo slecht?

“De betrekkingen hoeven niet slecht te zijn om ze van tijd tot tijd bij te werken. In al mijn toespraken wijs ik op de enorme omvang van de handelsstromen en investeringen tussen de EU en de VS. Dat betekent niet dat er geen problemen zijn, of dat je niet op zoek moet gaan naar aanpassingen. Het IJzeren Gordijn bestaat niet meer. De Uruguay-ronde is afgerond. Dus moeten we verder. Maar het uitgangspunt is niet: wat is er verkeerd in onze relatie? De vraag is: waar moeten we de relatie uitbreiden en verdiepen? We proberen gezamenlijk vooruitgang te boeken op de handelsagenda in andere delen van de wereld. Ook politiek proberen we in de toekomst vaker samen op te treden, op basis van gemeenschappelijke belangen en waarden.”

Eerder dit jaar werd de oprichting gesuggereerd van een Transatlantische vrijhandelszone (TAFTA). De laatste tijd hoor je daar minder over. Bent u voorstander van zo'n vrijhandelszone tussen de EU en de VS?

“Ik verwerp dat niet. We willen het bestuderen, maar het is zeker niet iets waar we al klaar voor zijn. De oprichting van een vrijhandelszone is het meest spectaculaire wat je kunt doen, de mensen weten wat je ermee bedoelt. Maar het is economisch gezien niet de belangrijkste stap die we nu kunnen zetten. Na afronding van de Uruguay-ronde vormt het overblijvende gemiddelde douanetarief van drie procent niet het belangrijkste obstakel voor de handel. Ondernemers zeggen dat ze wederzijdse erkenning van normen veel belangrijker vinden. Dat klinkt technisch, maar heeft grote praktische betekenis. Het betekent dat je produkten uit Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië of Frankrijk niet eerst in Amerika op veiligheid hoeft te laten testen om ze daar te mogen verkopen. Hetzelfde geldt voor openbare aanbestedingen in de VS. Elk jaar komt er nieuwe Amerikaanse wetgeving bij. Als je daar een eind aan kan maken, zou dat een geweldige kans betekenen voor het Europese bedrijfsleven.”

In de onderhandelingen met de VS moet u altijd een twee-frontenoorlog voeren: met de Amerikanen en met de Fransen, die niets voelen voor zelfs maar een studie naar vrijhandel. Kun je spreken van een kloof in de EU tussen de protectionisten en 'free-traders'?

“Nee. Die studie zal er komen, we praten nog over de precieze formulering. We hebben onenigheden, er zijn discussies en nuances, maar we zijn altijd bij elkaar gebleven. Ik ben er niet op uit de zaken scherper of mooier voor te stellen dan ze zijn. Ik zeg niet dat er geen meningsverschillen bestaan. Ik ben geen baby. Maar het is onjuist een beeld te schetsen van tegenstellingen die nooit kunnen worden opgelost. Het doel van de EU is juist de verschillen te overbruggen en tot praktische oplossingen te komen. We zijn in staat geweest bij elkaar te blijven tijdens de Uruguay-ronde. Dat klinkt toch niet als een splitsing. Bovendien, de meeste deskundigen zeggen dat Europa meer dan anderen heeft geprofiteerd van de Uruguay-ronde.”

President Clinton staat zwak tegenover het Congres. Denkt u niet dat de EU en de VS pas echt nieuwe afspraken kunnen maken als in Europa de IGC achter de rug is en in de VS de presidentsverkiezingen van eind volgend jaar zijn gehouden?

“Dat is te simpel, te cynisch voorgesteld. Of het nu om de VS gaat of een ander land: met een sterke regering kun je altijd beter zaken doen dan met een zwakke. Maar het is fout te denken dat de VS niet in staat zijn te handelen wegens verschillen van mening tussen president en Congres. Ik denk dat de top in december dat zal aantonen.”

Dat de VS sterk kunnen optreden, hebben ze laten zien met hun diplomatieke pogingen de Bosnische crisis op te lossen.

“Opgelost? Ze hebben een belangrijke rol gespeeld.”

Luidt de conclusie: Europa kan het nog steeds niet zonder Amerikaans leiderschap?

“Dat hangt er vanaf wat 'het' is. Sommige dingen kunnen we alleen, over andere dingen verschillen we van mening met de VS, maar er zijn ook veel dingen die we het best samen kunnen doen.”

Handel drijven kunnen we alleen. Maar als het aankomt op echte politiek, op buitenlands veiligheidsbeleid, hebben we de VS nodig?

“Dat is overdreven. We kunnen wel wat, maar ik zou inderdaad graag zien dat Europa's capaciteit om te handelen toeneemt door tijdens de IGC de mogelijkheid te creëren van een effectievere buitenlandse politiek.”

De Amerikanen hebben ook daadkrachtig leiderschap getoond door Lubbers af te wijzen als secretaris-generaal van de NAVO. Sommigen zeggen dat Washington de grote Europese landen daarmee heeft geschoffeerd. Bent u het eens met die formulering?

“Ik denk niet dat ik daar antwoord op wil geven.”

Kunnen we spreken van een crisis in het Atlantisch bondgenootschap, juist nu de EU de relatie wil verdiepen?

“Ik denk dat ik op geen van de vragen over de NAVO wil antwoorden.”

Wilt u ook niet de geruchten bevestigen dat u de onbekende, zware kandidaat was die de Britse regering achter de hand hield?

“Ik heb daar veel over gelezen in de media en ik heb er niets aan toe te voegen. We hebben een vrije pers en als je een vrije pers hebt, heb je geruchten.”

Maar we mogen die geruchten toch natrekken. Was u kandidaat of niet?

“Ik weiger ook maar iets te zeggen over dit onderwerp. Ik ben zeer gelukkig waar ik nu ben. Ik doe een buitengewoon belangrijke job en dat is alles wat ik wil zeggen.”