Walesa wordt in Gdansk een wandelende tijdbom

WARSCHAU, 21 NOV. Polen, zo schreef vorige week de historicus Marcin Król, heeft geen democratisch opgevoede politieke klasse. “Poolse politici zijn slechte verliezers en doen maar zelden een poging hun politieke waardigheid te redden.” Poolse politici, zo schreef, eveneens vorige week, het jeugdblad Fronda, zijn “een stelletje bezwete mannen op jacht naar de macht”, zijn “megalomane samenzweerders zonder politieke of intellectuele cultuur”. Ze onderschatten hun publiek, worden zelden of nooit concreet en beperken zich tot algemene en symbolische thema's. Niemand van hen, zo schreef Król, zal serieus stilstaan bij de vraag hoe bejaarden in een land met stilaan Westerse prijzen moeten rondkomen van honderd gulden per maand, bij de vraag waarom auto's in Polen twee keer zo duur moeten zijn als auto's in het Westen of hoe de inflatie nu eigenlijk moet worden bedwongen.

Die analyse, en zeker de opmerking over die slechte verliezers, kwam in elk geval zondagavond volledig uit. Het was tamelijk onthutsend om te zien hoe een avond lang in het partijhoofdkwartier van Lech Walesa en op de Poolse televisie de kopstukken van de partijen die zijn voortgekomen uit Solidariteit commentaar leverden op de zege van Aleksander Kwasniewski: het was even of Polen vijftien jaar in de tijd was teruggegaan en alsof met Kwasniewski het stalinisme of de uitroepers van de staat van beleg aan de macht zijn geraakt. De ene politicus na de andere, zelfs normaliter bezonnen mensen als Bronislaw Geremek, voorspelde de teloorgang van hard bevochten vrijheden of betreurde het in 1990 niet alle communisten in de gevangenis te hebben gezet en niet één van hen stak de hand in eigen boezem.

Het is duidelijk dat de afgelopen zes jaar in Polen geen nieuwe politieke klasse is ontstaan: er zijn talloze partijen ontstaan, maar de namen die ertoe doen zijn nog dezelfde als vijf, zes jaar geleden: Kwasniewski, Walesa, Geremek, Michnik, Kuron, Korwin-Mikke, Balcerowicz, Moczulski, Mazowiecki, Pawlak, Olszewski: geen enkel nieuw gezicht, in Warschau.

Lech Walesa heeft de strijd zondag verloren omdat hij zich - voor het eerst in zijn carrière op deze schaal - heeft verrekend. Hij heeft, bijgestaan door zijn oude makkers van vroeger, campagne gevoerd op het oude thema van de strijd tegen het communisme. Zoals hij in de jaren tachtig het communisme bedwong, zo zou hij nu de restauratie van dat communisme in de persoon van Aleksander Kwasniewski verhinderen. Hij deed dat bovendien met de hem typerende bravoure: wild om zich heen slaand en bij tijd en wijlen zo primitief dat hem dat veel stemmen heeft gekost. Bij het eerste van de twee televisiedebatten verspeelde hij volgens een opiniepeiling onder inwoners van Warschau twaalf procent van zijn aanhang: die was door het debat gedaald van vijftig naar 38 procent.

Anders dan de drakendoder uit Gdansk dacht, is voor het Poolse electoraat het thema communisme een gepasseerd station. De Poolse samenleving is verdeeld, maar ze is niet verdeeld tussen anticommunisten en mensen die terugverlangen naar het rode verleden. Ze is verdeeld tussen mensen die hun draai hebben gevonden in de nieuwe markteconomie en mensen die zich daar vooral het slachtoffer van voelen. Miljoenen Polen hebben het buiten hun schuld onder die markt-economie alleen maar slechter gekregen. Zij voelen zich in de steek gelaten, afgewezen en bedrogen. Ze voelen zich ook niet vertegenwoordigd. En zij hebben Walesa laten vallen, omdat ze moe zijn van zijn polemische stijl van regeren en niet het idee hebben dat hij de gouden sleutel naar een beetje meer welvaart in handen heeft. Het is om die reden dat Kwasniewski tegen de verwachting in op het platteland heeft gewonnen: daar hebben de hervormingen hun grootste tol geëist.

De nederlaag van Walesa is niet alleen een nederlaag voor de krachten die zijn voortgekomen uit Solidariteit, ze is ook een nederlaag voor de Poolse Kerk, die niets heeft nagelaten om een tegenstander van Kwasniewski aan de zege te helpen. Eerst was Hanna Gronkiewicz-Waltz, de voorzitter van de Nationale Bank, de favoriet van het Poolse episcopaat. Gronkiewicz-Waltz, die heeft gezegd dat “de Heilige Geest” haar heeft geïnspireerd om voorzitter van de Nationale Bank te worden, kreeg echter in de eerste ronde maar 2,76 procent van de stemmen. Dat had de Poolse bisschoppen aan het denken kunnen zetten, maar net zo min als de toppolitici van het vroegere Solidariteit slaagt de Poolse Kerk erin lering te trekken uit gemaakte fouten, en dus schaarden de bisschoppen zich voor de tweede ronde opnieuw massaal achter Kwasniewski's tegenstander, Walesa ditmaal. En weer kregen ze klop. 94 procent van de Polen zegt katholiek te zijn, maar ze hebben zondag de stem van de Kerk massaal genegeerd: het Poolse electoraat heeft getoond verder te zijn opgeschoven dan de vroegere kopstukken van Solidariteit en de Kerk. Die lijken pas op de plaats te hebben gemaakt en zich geestelijk zich nog ergens in 1989 te bevinden.

Of de verkiezing van Kwasniewski en de uitschakeling van Walesa Polen de politieke stabiliteit zal brengen die het nodig heeft om de hervormingen voort te zetten, is de vraag. Op het eerste gezicht lijkt de Poolse politiek aan stabiliteit te hebben gewonnen: met Walesa verdwijnt een president die het vijf jaar lang aan de stok heeft gehad met alle regeringen en alle parlementen, met zijn vijanden, maar ook met - zonder uitzondering - al zijn vroeger vrienden en medestanders. Kwasniewski houdt er niet alleen een andere stijl op na, hij regeert ook met een parlement en een regering die door zijn eigen partij, de SLD, worden gedomineerd.

Het is echter zo goed als zeker dat die rust er niet komt. Lech Walesa is er de man niet naar om in Gdansk als ambteloos burger de rest van zijn werkzame leven te slijten, terend op zijn inmiddels wat gehavende reputatie.

Zijn situatie doet denken aan die van 1990, toen zijn rol in Polen was uitgespeeld: het communisme had plaatsgemaakt voor een democratisch systeem, de hervormingen waren ingezet, in Warschau maakten premier Mazowiecki en zijn hervormer Balcerowicz de dienst uit en plotseling zat niemand meer te wachten op de commentaren en acties van Lech Walesa: die was na tien jaar in de schijnwerpers plotseling gemarginaliseerd.

En dat accepteerde hij niet, en dus begon hij een campagne die een jaar lang duurde: hij ontketende een 'oorlog aan de top', zoals hij het noemde. En een oorlog was het: hij brak met veel verbaal geweld met zijn medewerkers, viel vervolgens over de regering-Mazowiecki heen en eiste tenslotte het aftreden van president Jaruzelski. Die 'oorlog aan de top' leidde uiteindelijk tot het vertrek van zowel Jaruzelski als Mazowiecki en tot het aantreden van Walesa als president - een 'president met een bijl', zoals hij het noemde, en dat is hij waarlijk geweest.

De kans is levensgroot dat Walesa dat scenario gaat herhalen, en dat hij zich in Gdansk ontwikkelt tot een wandelende tijdbom, een 'burger met een bijl', die al zijn tijd en heel zijn niet onaanzienlijke energie zal besteden om Kwasniewski en de regering in Warschau het leven zo moeilijk mogelijk te maken.

Walesa mag dan wel de verkiezingen hebben verloren, zijn invloed en aanhang moeten niet worden onderschat: negen miljoen Polen hebben op hem gestemd. Een niet onaanzienlijk deel van hen deed dat niet uit liefde voor Walesa maar uit angst voor de vermeende communist Kwasniewski, een angst die hun door Walesa de afgelopen weken en maanden is aangepraat. Maar als er iemand in staat is de economie te verlammen door tot stakingen op te roepen, dan is het nog steeds Walesa. Hij heeft nog steeds veel charisma, hij spreekt nog steeds de taal die de gewone Pool verstaat en hij heeft - ook al heeft hij zich nu verrekend - nog steeds een fijne politieke neus. Als ambteloos burger zou Walesa wel eens nog meer onrust kunnen zaaien dan hij de afgelopen vijf jaar als president heeft gedaan. Zijn tijdperk is verre van voorbij. Polen is er na zondag niet stabieler op geworden - integendeel.