Utopisten en hun erfgenamen bijeen op de Veluwe

Tentoonstelling: Raw material. Een keuze uit de aanwinsten 1991-1995. Kröller-Müller Museum, Otterlo, Nationaal Park De Hoge Veluwe. T/m 4 febr. Di t/m zo 10-17u. Brochure ƒ 7,90.

Het spreekwoord 'In de beperking toont zich de meester' gaat ook op voor de verzamelaar van moderne kunst. Wanneer hij zich beperkt tot een duidelijk omschreven gebied, wordt zijn verzameling des te interessanter. Zo'n collectie is méér dan de som van haar delen; een geheel waarbinnen de kunstwerken zich op een zinvolle manier tot elkaar verhouden.

Het Kröller-Müller is zo'n strenge verzamelaar met heel eigen accenten. De naoorlogse schilderkunst ontbreekt geheel. De collectie belicht belangrijke aspecten van de twintigste-eeuwse moderne kunst, tot aan de hedendaagse kunst toe. Ook de nu tentoongestelde selectie uit aanwinsten van de afgelopen vijf jaar, toont weer aan dat het verzamelbeleid nog steeds op twee pijlers rust: de collectie schilderkunst van mevrouw Kröller-Müller uit de eerste decennia van deze eeuw, en de verzameling twintigste-eeuwse beeldhouwkunst, in de beeldentuin en binnen de muren van het museum.

De toenmalige directeur A.M. Hammacher is eind jaren veertig begonnen met de beeldencollectie, zijn opvolger Rudi Oxenaar zette dit beleid voort en de recente aanwinsten laten zien dat Evert van Straaten, sinds vijf jaar directeur, dat in grote lijnen ook doet. Ook permanente bruiklenen, stukken van de Rijksdienst Beeldende Kunst en legaten - de belangrijke Schenking Van Moorsel, met werken van onder anderen Bart van der Leck en Theo van Doesburg - worden tot de nieuwe aanwinsten gerekend en daarmee komt het totaal van de laatste vijf jaar op bijna vierhonderd te staan. Een kleine tweehonderd zijn voor de huidige tentoonstelling geselecteerd.

Met het bescheiden aankoopbudget van 340.000 gulden is het vrijwel onmogelijk om de oorspronkelijke Kröllercollectie, waarin vooral de Stijl en het Kubisme mooi zijn vertegenwoordigd, uit te breiden. Hetzelfde geldt voor de vroeg twintigste-eeuwse beeldhouwkunst. Een beeld van Brancusi, waar Hammacher al op hoopte, zal altijd wel een vrome wens blijven, verzucht Van Straaten in de catalogus. Evenals beelden van bijvoorbeeld Modigliani en Henri Laurens.

Maar het museum slaagde er recent wel in tekeningen te verwerven op dit gebied. Zoals twee prachtige bladen van Modigliani, een Hoofd en een Hoofd van een kariatide, beide uit 1912-1913: gebeeldhouwde vormen in krijt op papier, met de bekende ovalen proporties. En drie tekeningen van Archipenko in inkt op papier. Zijn Lopende Man uit 1917 is een machineman, geconstrueerd uit kegels en cylinders en met een ijzeren klamp als hoofd. Het naïeve optimisme van het constructivistische geloof in de technologie, die een maatschappij mogelijk zou maken waarin geen honger en armoede meer bestaan, is aanstekelijk verbeeld in een kleurige Studie voor symfonie nr. 9 van Vladimir Baranoff-Rossiné uit 1913. Blauwe, rozerode en gele kegels, losjes samengevoegd, vormen een zittende figuur. Zeepbellen dansen vrolijk om hem heen.

De belangrijkste aanknopingspunten bij het verzamelen van kunst die dateert van na de Eerste Wereldoorlog zijn in dit museum het utopisme en de geometrische abstractie van de kunst uit de jaren twintig, en dan vooral De Stijl. Een visionair voorbeeld is het magische werk van Walter de Maria (geb. 1935). Zijn metalen sculpturen worden vanwege de abstractie en de strakke belijning doorgaans ingedeeld bij de minimal art, maar dat is niet juist. Zijn beelden hebben een mythische lading vol eigen symboliek, alsof zich een verborgen ordening openbaart.

Een topstuk is het beeld Nonagon (1974), een schenking van Geertjan Visser, broer van beeldhouwer Carel en collectioneur Martin Visser. Dit beeld, bestaande uit een glanzende kogel die door een negenhoekige 'cirkel' van roestvrij staal rolt, doet denken aan het rad van fortuin, of oude voorstellingen van het universum als een door wetten geregeerd geheel.

Het Kröller-Müller beschouwt ook Matt Mullican (1951), van wie het acht werken verwierf, als een erfgenaam van het utopisme. Mullican verbeeldt zijn fantasieën over stedebouw en architectuur met uiteenlopende technieken en materialen, variërend van tekeningen op papier tot virtual reality-projecties met behulp van de computer. Het blijft lastig om in Mullicans kille, levenloze architectuurprojecties de utopie - als plek waar het goed en heilzaam toeven is - te ontdekken.

De collectie van Martin Visser is een ware schatkamer voor het Kröller- Müller Museum. Het koopt werken uit deze verzameling, en krijgt er ook vele geschonken. Visser, die onbevangen kan kijken, zat vanaf de jaren zestig met zijn neus bovenop de laatste ontwikkelingen in de kunst, en kocht steeds zeer vroeg aan. Het is een verzameling van hoog niveau die zeer uiteenlopende stromingen beslaat en een extra gelukkige omstandigheid voor het museum is het feit dat Visser aan zijn schenkingen geen enkele voorwaarde stelt wat betreft de wijze van exposeren, presenteren, enzovoort. Zelden zijn schenkers zó genereus.

In Vissers verzameling komt het utopisme overtuigend tot uitdrukking in de Zero-kunst van de jaren zestig. Hier is het de utopie van de schone lei die de werken kenmerkt: het geloof dat het mogelijk is om met de kunst helemaal opnieuw te beginnen, vanaf het nulpunt, onbevangen en onbevooroordeeld, en natuurlijk ook met een dosis ironie. Een voorbeeld zijn twee mooie Concetti Spaziali van Lucio Fontana, beide uit 1961. Om af te rekenen met de perspectivische illusie in de schilderkunst doorboorde Fontana het doek en bewerkstelligde zo, in zijn verheven taalgebruik, 'een letterlijke doorbraak naar de ruimte'. Twee 'Achromen' uit 1962 van Piero Manzoni, een reliëf en een vachtje, symboliseren het wit van Zero, het niets waaruit alles opnieuw ontstaat.

Ook het werk van Donald Judd, zoals een oogstrelend, glanzend paars wandbeeld van geanodiseerd aluminium (1973), hier in de zalen goed tot zijn recht. De aanwezigheid van kunstenaars als Fontana, Stanley Brouwn, Daniël Buren en Hanne Darboven blijken het werk van Judd bijna vanzelfsprekend te verduidelijken. Judd geloofde niet minder in de mogelijkheid van een nulpunt, en wilde de eigenschappen van een driedimensionaal beeld tot op de bodem toe onderzoeken. Als methode van onderzoek paste hij de herhaling toe, met steeds kleine veranderingen, vergelijkbaar met Brouwn en Darboven. Dit geheel van kunstwerken is zinvol, terwijl de combinatie van Judd met bijvoorbeeld Cézanne, zoals Fuchs deed in het Stedelijk, helemaal niets verduidelijkt. Zo'n combinatie is alleen gebaseerd op niet meer dan toevallige overeenkomst in kleurgebruik.

Behalve fotografisch werk van Sigmar Polke, een video van Bruce Nauman en loden 'schilderijen' van Anselm Kiefer, is er nu ook een recent werk van de belangrijke Engelse beeldhouwer Anthony Caro (1924) en van de Amerikaanse Louise Bourgeois (1911) in een Nederlands museum opgenomen. Van de jongere generatie Nederlandse beeldhouwers verwierf het museum onder meer een mooi werk van Albert Goederond (1953) en van Tom Claassen (1964).

De beeldentuin ten slotte is uitgebreid met onder meer een zeven meter hoge, zeskantige toren van witte betonblokken van Sol LeWitt (1928), en een 'Mobile Home' van Joep van Lieshout (1963). Maar deze beelden zijn pas te zien wanneer in het voorjaar de beeldentuin weer open gaat.