Rechter schiet bres in parkeerheffing

DEN HAAG, 21 NOV. Parkeerheffingen zijn wat vreemd in elkaar geknutselde belastingen. De gemeenten misgunden het Rijk de opbrengst van parkeerbekeuringen en ontwierpen daarom een parkeerbelasting. Voor de foutparkeerder maakt het weinig verschil: hij vindt een bon achter de ruitewisser.

Maar voor de gemeente vormen die bonnen een welkome belastingopbrengst. Met de verhuizing van het strafrecht naar het belastingrecht, zijn de formaliteiten van de belastingwetgeving een rol gaan spelen. Daaronder die van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dat kan gemeenten lelijk opbreken, zo blijkt uit een vandaag vrijgegeven uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof. Tot nu toe gingen de gemeenten er van uit dat het ontbreken van een parkeerkaartje zonder meer een bon (naheffingsaanslag parkeerbelasting) rechtvaardigt. Men is immers verplicht een geldig kaartje achter de voorruit te leggen. Dat staat zowel op het kaartje en als op de parkeerautomaat. Maar de gemeente mag - zo is nu uitgemaakt - die verplichting helemaal niet opleggen. De achtergrond van deze rechterlijke beslissing is tamelijk ingewikkeld. De heffingstechniek van de parkeerbelasting is die van een 'heffing bij wege van voldoening op aangifte', net als de loonbelasting en de BTW. Maar bij de parkeerbelasting hoeft men geen aangifteformulier in te sturen. De Gemeentewet bepaalt namelijk dat het op de voorgeschreven wijze in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat gelijk staat aan voldoening op aangifte.

De Amsterdamse belastingrechters Rensema (tevens CDA-senator), Groeneveld en Onnes zijn in de Gemeentewet gedoken en kwamen tot de conclusie dat de wetgever met deze afwijkende gang van zaken niet de bedoeling heeft gehad af te stappen van het algemene wettelijke systeem. Dat houdt in dat een naheffingsaanslag pas gerechtvaardigd is als vaststaat dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan, daadwerkelijk niet is betaald. De bekende afdrachtsbelastingen als de loonbelasting en de BTW kennen overigens strafbepalingen voor degene die wel betaalt maar verzuimt het aangiftebiljet overeenkomstig de voorschriften in te sturen.

Dergelijke sancties zijn er echter niet voor de parkeerbelastingen. Dat betekent dat iemand die voldoende parkeergeld heeft betaald, geen naheffingsaanslag kan krijgen en al evenmin met een wielklem vastgezet mag worden. Maar wie moet bewijzen dat er al dan niet voldoende is betaald? Het systeem van de wet legt de gemeente de bewijslast op dat er geen parkeergeld is betaald. Het ontbreken van een parkeerkaartje achter de voorruit is daarvoor in het algemeen voldoende bewijs. In elk geval komt bij het ontbreken van zo'n kaartje het initiatief weer in handen van de automobilist. Die kan tegenbewijs leveren door een parkeerkaartje te tonen met de juiste datum en de juiste tijd.

Uit de vandaag vrijgegeven uitspraak blijkt dat de rechter dat bewijs accepteert tenzij de gemeente aantoont dat het gaat om een kaartje van een ander gaat of dat er met het kaartje is gesjoemeld. Amsterdam heeft grote bezwaren tegen zo'n gang van zaken omdat men aan een kaartje niet kan zien voor welke auto er is betaald. Dat verweer maakt bij de rechters geen indruk omdat de parkeerder er niets aan kan doen dat het kaartje niet aan één speciale auto is gekoppeld. De gemeente daarentegen kan de automaten zo maken dat er op het kaartje een kenteken of het nummer van het parkeervak wordt afgedrukt.

Na analyse van de uitspraak is de gemeente Amsterdam tot de conclusie gekomen dat het gerechtshof een verkeerde uitspraak heeft gedaan. Zij legt de zaak daarom aan de Hoge Raad voor. Op grond van de betwiste uitspraak mogen gemeenten op het kaartje en op de parkeerautomaat niet langer de suggestie wekken dat de parkeerder 'verplicht' is het kaartje achter de voorruit te leggen. De parkeercontroleur mag hoe dan ook wel een bon uitschrijven en een wielklem aanleggen als hij geen kaartje ziet. Maar mocht later blijken dat de parkeerder wel over een geldig kaartje beschikte, dan wordt, als de Hoge Raad de Amsterdamse uitspraak bevestigt, het opleggen van de aanslag als een onrechtmatig daad beschouwd. Men krijgt de eventueel betaalde belasting terug, maar de wettelijke regels sluiten ook dan een schadevergoeding vanwege de bijkomende kosten van de onrechtmatige aanslag evenwel uit.

Voor wat betreft de ten onrechte aangebrachte wielklam (een invorderingsmaatregel) kan dat anders liggen. De uitspraak maakt al met al geen einde aan de controleerbaarheid van de parkeerheffingen, maar schiet wel een bres in het op papier sluitende systeem dat alleen al het constateren dat er een kaartje ligt, een bon rechtvaardigt. Nu de zaak is voorgelegd aan de Hoge Raad, ligt het voor de hand dat alle gemeenten de bezwaren van mensen die ondanks het bezit van een geldig kaartje een parkeerbon al dan niet met wielklem kregen, aanhouden tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Dat kan nog wel een jaar duren. Op dit moment maken alleen al in Amsterdam jaarlijks zo'n 900 mensen bezwaar tegen hun parkeerbon omdat hun geldige kaartje om een of andere reden niet zichtbaar was. Dat aantal zal flink stijgen nu dergelijke bezwaarschriften niet langer vergeefs worden ingediend. Tussen de indieners zullen ook wel mensen zitten die achteraf bij een andere automobilist een 'geldig' kaartje wisten te bemachtigen.

De vrees van de gemeente dat er flink wat fraude te duchten valt, lijkt overdreven. Een fraudeur moet namelijk een kaartje bemachtigen van de juiste parkeerautomaat op het juiste tijdstip. Dat is niet zo makkelijk. Als de gemeenten dat lek toch willen dichten, zullen ze hun parkeerautomaten zo moeten veranderen dat er het kentekennummer of een vaknummer op wordt afgedrukt. Mochten de gemeenten dat te ingewikkeld vinden, dan moeten ze bij het kabinet aankloppen om een wetswijziging te bepleiten. Maar als de gemeenten de rechterlijke uitspraak aanvaarden, dan levert dat de winst op dat nette parkeerders met een weggewaaid of onopgemerkt kaartje met hun protesten niet langer stuklopen op onbuigzame parkeercontroleurs of een bureaucratie zonder invoelingsvermogen.