Problemen op de rails

Alice Vieira: Rosa, mijn zusje Rosa. Vert. Irène Koenders. Uitg. Fontein, 111 blz. Prijs ƒ 27,50.

Diet Verschoor: Het fluisterpotlood. Uitg. Holland, 128 blz. Prijs ƒ 24,90

Meer dan in de volwassenenliteratuur is het in de jeugdliteratuur gebruikelijk dat een schrijver zich voorneemt een probleem inclusief oplossing aan de orde te stellen dat zich in een (kinder)leven voor kan doen. Alsof kinderen meer dan volwassenen een handleiding nodig hebben voor hoe zij het aan moeten pakken, meer verlegen zitten om antwoorden dan om vragen. Misschien is dat ook wel zo. Maar voor een literair bevredigend boek is een vraag, en het zoeken naar een antwoord dat weer meer vragen opwerpt, over het algemeen dankbaarder dan dat er wordt afgekoerst op de enige correcte oplossing. Al snel valt de schrijver dan in een soort rails die naar het positieve einde leiden.

Ongeveer het meest behandelde probleem in het kinderboek is het nieuwe broertje of zusje. En dat dit niet mee valt voor het kind dat er al was. Eerst vindt het kind het interessant, want wordt betrokken - moderne ouders - bij zwangerschap, schoppen van de baby, zwellen van de buik, inrichting kamertje. Dan wordt de nieuwe geboren en blijkt niet te kunnen praten maar wel te kunnen huilen en alle aandacht van papa en mama op te eisen. Volgt beschrijving van periode van tekortgedaan voelen. Vaak gebeurt er dan iets - het nieuwe kindje wordt ziek, gestolen, dreigt te verongelukken - en de oudste beseft: hij/zij is mijn broertje/zusje.

Rosa, mijn zusje Rosa heet deze uit het Portugees vertaalde variant op het genre. Auteur is Alice Vieira, 'de bekendste kinder- en jeugdboekenauteur van Portugal' zegt de flaptekst. In het boek is meisje 1 al tien als zusje Rosa wordt geboren. Omdat meisje 1 veel ouder is, kan ze ook over andere dingen nadenken dan alleen maar over wat ze vindt van haar zusje. Bijvoorbeeld over democratie, over armoede vroeger en rijkdom nu, over de positie van de vrouw, over het belang van wis- en natuurkunde. Dat zou allemaal heel interessant en fris kunnen zijn, maar helaas houden veel van de behandelde onderwerpen iets plichtmatigs. Meisje 1 is zo allemachtig braaf, ze wil zo uitsluitend het goede, eventueel wel na een beetje strijd, maar dan zegt ze ook op papa's knie: “Ik heb ontdekt dat Rosa mijn zusje is, dat Rosa mijn familie is.”

Ook Diet Verschoor is in Het fluisterpotlood niet helemaal aan de stereotypen van het probleemgenre ontsnapt. Haar hoofdpersoontje is de 9-jarige Merel, die na een auto-ongeluk voorgoed verlamd is. Nooit zal ze meer kunnen lopen. Haar reactie is dat ze dan ook helemaal niets meer wil, ze wil in haar eentje hoog boven in een kamer liggen en niemand zien en met rust gelaten worden en verder niets, niets, niets. Die woede, weerzin en onredelijkheid zijn wel goed getroffen, ook de wanhoop die het kind bij tijd en wijle zo erg overvalt dat ze alleen maar keihard kan gillen, tot machteloze ontzetting van haar familie.

Daar kunnen we natuurlijk niet blijven steken, er moet iets gebeuren, Merel moet uit deze hopeloze situatie. Dat spreekt. Dus stond Verschoor voor de taak om een acceptabele en interessante oplossing te verzinnen. En dat is niet helemaal goed gelukt. De oplossing is een clowneske onderwijzer die graag met zieke kinderen werkt en die zo origineel is en zo anders: “We gaan gewoon weg, naar een land (..) wat dacht je van Waterkersland? (..) Een land waar het niets uitmaakt hoe je eruit ziet. Groot, klein, scheel, scheef, lam, blind, doof.” Hij laat Merel tekenen en ze tekent, met het fluisterpotlood, alles wat er in haar hoofd omgaat - waarschijnlijk heeft Merel toch ook wel een tekentalent. Het boek eindigt met een opgewekte Merel in een rolstoel: “Het potlood is nog steeds sterker dan ik ben en het vertelt mij wat ik moet doen om de dingen te begrijpen.” Gebeurde er maar eens iets raars. Iets onverwachts.