Privatisering ziektewet bedreigt fundamenten gezondheidszorg

De Tweede Kamer behandelt vandaag de afschaffing van de Ziektewet. Een wijziging in de sociale zekerheid die ingrijpende gevolgen zal hebben voor bedrijfsartsen en werknemers. Zo ingrijpend, dat de Kamer er volgens P.C. Buijs beter nog wat langer over kan nadenken. Het huidige voorstel heeft geen maatschappelijk draagvlak, en zal leiden tot het uitstoten van nog meer mensen uit het arbeidsproces.

xp Vanavond begint de Tweede Kamer met de discussie over de afschaffing van één van onze meest markante sociale wetten: de Ziektewet. Zolang als de invoering duurde - indiening in 1899, aanname in 1913 en van kracht geworden in 1930 - zo kort is het afscheids-scenario: indiening van het betreffende wetsvoorstel in oktober, aanname door de Tweede en Eerste Kamer in november/december en invoering per 1 januari 1996. Ingevoerd is dan de WULPZ: Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte. De periode waarin werkgevers zieke werknemers loon moeten doorbetalen wordt dan verlengd van twee weken voor kleine bedrijven en zes weken voor grote bedrijven naar 52 weken. Voor 'restgroepen' als zwangere vrouwen, uitzend- en oproepkrachten blijft er een vangnetvoorziening.

Het kabinet noemt dit privatiseringsvoorstel een fundamentele ingreep. Door het ongehoorde tempo van de behandeling en de vele honderden pagina's tekst is het voor niet direct betrokkenen moeilijk daar goed zicht op te krijgen. Toch lijkt er voldoende grond voor grote bezorgdheid over de effecten van het voorstel op de arbeidsparticipatie, het tegengaan van onnodig verzuim en van de tweedeling in de gezondheidzorg.

Bij de WULPZ zijn diverse grondrechten in het geding, zoals de rechten op arbeid, bestaanszekerheid, privacy-bescherming en integriteit van het menselijk lichaam. Wat moeten we bijvoorbeeld denken van looninhouding die kan plaatshebben “als de arbeider een dergelijke ingreep (een operatie, PB) zonder goede reden weigert. In dat geval kan gesteld worden dat zijn genezing door zijn toedoen wordt belemmerd of vertraagd”.

Uit onderzoek blijkt dat de eerdere verlenging van de eigen-risico-periode - tot twee of zes weken - op de arbeidsmarkt heeft geleid tot een strengere selectie op gezondheid en leeftijd. Bij 52 weken eigen risico valt een verdere toename daarvan te vrezen, alsmede van pogingen in het bedrijfsleven om (chronisch) zieken en andere minder gezonde of produktieve werknemers alsnog te lozen, ondanks diverse nieuwe reïntegratie-instrumenten. Daardoor zullen steeds meer mensen aan de kant komen te staan.

De WULPZ is nadrukkelijk gepresenteerd als middel om het ziekteverzuim te verlagen, en wel met tien procent. Ook daarbij vallen de nodige vragen te stellen. Zo hebben bedrijven zich, tegen de verwachting in, amper herverzekerd tegen het eigen risico van twee tot zes weken. Ze nemen het doorbetalen van loon dus voor eigen rekening. Dat is een maximale prikkel voor verzuimbestrijding, die echter afneemt bij 52 weken eigen-risico, erkent ook het kabinet, omdat veel bedrijven zich dan wèl zullen herverzekeren. Voor de meeste bedrijven wordt de premiehoogte maar voor twintig procent gebaseerd op het eigen verzuim, voor de rest op het gemiddelde verzuim in de bedrijfstak, zodat ook daarvan geen sterke stimulans uitgaat voor een actief verzuimbeleid.

Het kabinet erkent dat conflicten tussen werkgever en werknemer het verzuim zullen verhogen, althans tijdelijk - waarbij dat laatste maar de vraag is. En last but not least is er de pijnlijke conclusie dat ziekteverzuim straks niet meer betrouwbaar te meten valt, door de achterblijvende registratie in de periode van twee tot zes weken - iets dat zeker zal toenemen bij een verlenging tot 52 weken. Waar praten we dan nog over?

Een jarenlang bekend knelpunt, dat onnodig verzuim en zelfs WAO-intrede veroorzaakt, is de gebrekkige samenwerking tussen de betrokken artsen. Het vorige kabinet heeft gepoogd daar wat aan te doen. Gestreefd werd naar 'open communicatie' tussen met name bedrijfsarts en behandelend arts, onder de nadrukkelijke vermelding dat het kabinet de bedrijfsarts als begeleider en adviseur van de werknemer beschouwde, en nièt als controleur.

In de Memorie van Toelichting op de WULPZ wordt de bedrijfsarts echter opeens aangeduid als controlerend arts, wiens uitspraken voor de werknemer kunnen leiden tot looninhouding: “Een adequaat instrument, aangezien de werknemer (...) loon moet ontberen. Dit gemis aan loon raakt hem in zijn bestaanszekerheid.” Wat moeten artsen, gelet op hun eed van Hippocrates, in zo'n repressieve context? Hoe moeten zij straks een vertrouwensrelatie met werknemers opbouwen? De samenwerking met behandelend artsen zal hierdoor verder stagneren. Gevolg: meer verzuim ten laste van het bedrijfsleven.

Bovengenoemd probleem wordt in de WULPZ niet genoemd, evenmin als de te verwachten toename van initiatieven om de wachttijden in de gezondheidszorg te omzeilen, zoals bedrijvenpoli's en dergelijke. Verzekeraars adverteren daar nu al mee, waardoor precies dreigt wat minister Borst, de KNMG en vele andere partijen principieel afwijzen: een voorkeursbehandeling voor werknemers bij goed verzekerde werkgevers. Daarmee komen ook andere fundamenten van onze gezondheidszorg in het geding, zoals de vrije artsenkeuze en de poortwachter-functie van de huisarts.

Dat een eigen risico van twee tot zes weken redelijk succesvol lijkt, komt doordat jarenlang zorgvuldig is gebouwd aan het maatschappelijk draagvlak. Bij de voorbereiding van de WULPZ is dit amper gebeurd. Officiële (spoed))adviesaanvragen gingen alleen naar de SER en de Raad van State. Die laatste sprak van een diep ingrijpende, onomkeerbare stelselwijziging, waarbij het wetgevende proces tezeer onder druk wordt gezet en een behoorlijke uitvoering niet is gewaarborgd - en bepleitte een jaar uitstel. De SER wees de WULPZ af en presenteerde unaniem een alternatief. Die uitgestoken hand van de sociale partners werd echter afgewezen.

Een maatschappelijk draagvlak ontbreekt dus nu vrijwel geheel: tachtig procent van het bedrijfsleven is tegen verdergaande privatisering en ook organisaties als de KNMG, de Nationale Commissie Chronisch Zieken en de vereniging van bedrijfsartsen hebben fundamentele bezwaren geuit. Voorstanders lijken alleen de verzekeraars, met wie wèl uitgebreid is overlegd. Zij mogen de rol overnemen van de bedrijfsverenigingen, waarmee een doelstelling van sociale verzekering wordt vervangen door één van winstmaximalisatie. Wat zullen de gevolgen op langere termijn zijn voor de arbeidsmobiliteit of voor de minder gezonde werknemers?

Waarom zou het kabinet dit ingrijpende wetsvoorstel, met zoveel fundamentele vragen en tegenstrijdigheden, in een nog niet eerder vertoond tempo door het parlement willen laten aannemen? De fractiedeskundigen konden het afgelopen weekeinde pas kennisnemen van de honderd pagina's antwoorden van het kabinet op hun vele vragen over het wetsontwerp. Een fatsoenlijke voorbereiding voor het debat van vandaag is daardoor al amper mogelijk, laat staan nadere consultatie van deskundigen. En waarom het risico op een herhaling van wat in december 1993 gebeurde in de Eerste Kamer? “Zo nooit meer!”, was daar vlak voor Kerstmis de verzuchting toen het wetskoppel TZ/Arbo - met de twee tot zes weken-maatregel - erdoor was geperst.

Waarom niet gekozen voor een normaal tempo, zowel in de behandeling en invoering, als in de maatvoering van het voorstel zelf? De kern van privatisering zit hem immers in het vinden van het optimum tussen het (kleinere) publieke en het (grotere) private domein. Juist de Ziektewet biedt een goed kader voor een behoedzame benadering, zonder het doel voorbij te schieten. Na evaluatie van de twee-tot-zes weken-periode, die al een privatisering van vijftig procent betekende, is eerst uitbreiding denkbaar naar zes tot dertien weken (wat Europees gezien al aardig uit de pas is), later eventueel gevolgd door verlenging naar 13 tot 26 weken, enzovoort.

Ondertussen kunnen alle privatiseringswetten tegelijk en in samenhang behandeld worden, inclusief die over de WAO. Het bedrijfsleven heeft dan tijd om zich goed voor te bereiden en artsen kunnen in samenspraak met andere betrokkenen de randvoorwaarden regelen voor betere onderlinge samenwerking, open communicatie en effectieve uitwisseling van gegevens.

Het kabinet stelt echter dat we ons die 'luxe' niet kunnen permitteren, omdat een draconisch scenario dreigt van 800.000 à 1.000.000 WAO-ers en er reeds een besparing is ingeboekt van 600 miljoen gulden - door de SER overigens getypeerd als een verschuiving en “boterzacht”.

Vorige week werden echter de meest recente, veel 'zonniger' WAO-cijfers gepubliceerd, die bovendien een extra besparing opleveren van, voorzichtig geschat, 600 miljoen gulden. Zou het dan toch nog een wat meer ontspannen debat kunnen worden?