Parijs moet open kaart spelen in Europese Unie

Geen Europees land heeft zoveel voordeel gehad van de Europese integratie als Frankrijk. Van een land met een zwakke, rurale economie is het een moderne post-industriële natie geworden. Toch signaleert Frits Bolkestein er een voortdurende aarzeling over de eigen rol in Europa. Voor de uitdagingen waar de Europese Unie voor staat - het landbouwbeleid, de monetaire eenwording, en de strijd tegen de misdaad - is duidelijkheid vanuit Parijs echter cruciaal.

Franse politici lijken een hardnekkige haat-liefde verhouding met de Europese integratie te koesteren. Het zijn de grote Franse denkers Schuman en Monnet geweest die de grondslag hebben gelegd voor de meest succesvolle samenwerking tussen staten uit de geschiedenis van de mensheid. Presidenten Giscard d'Estaing en Mitterrand hebben deze traditie voortgezet. Het is opvallend dat periodes van voortvarendheid in Europees beleid steeds zijn afgewisseld door momenten van passen op de plaats, ja zelfs van teruggang. De verwerping van de Europese Defensie Gemeenschap door de Assemblée Nationale in 1954 maakte politieke integratie voor lange tijd onmogelijk. Ik herinner ook aan de verwoede pogingen van president De Gaulle om de spelregels van de EEG aan te passen aan zijn visie van het 'Europe des nations'. Ook de lege-stoel-politiek van Couve de Murville zijn wij niet vergeten. En onlangs scheelde het maar een haar of het referendum over het Verdrag van Maastricht was in een 'neen' geëindigd. Dat was een politiek signaal dat nog steeds nagalmt in de Franse politieke verhoudingen.

Men moet constateren dat in Parijs zelf voortdurende onzekerheid heerst over de wijze waarop de Franse belangen in Europa kunnen worden veilig gesteld. Vast herkenningspunt is dat achtereenvolgende Franse regeringen zich nimmer comfortabel bij de supranationale rechtsorde van de EEG hebben gevoeld. De geleidelijke overdracht van soevereiniteit op gebieden als handelspolitiek en interne markt zijn door Parijs steeds begeleid van waarborgen, zoals het fameuze akkoord van Luxemburg, dat unanimiteit voorschrijft bij inroeping van een vitaal belang.

Bezien vanuit Nederland doet deze voortdurende Franse aarzeling vreemd aan. Immers, geen Europees land heeft zoveel voordeel genoten van de Europese integratie als Frankrijk.

In de eerste plaats heeft na twee verwoestende oorlogen een onomkeerbare toenadering tot Duitsland plaatsgehad. Deze doelstelling van Schuman is met groot succes verwerkelijkt. Ten tweede is het verarmde en verwoeste West-Europa door de Europese samenwerking veranderd in de duurzame zone van vrede, stabiliteit en welvaart die wij nu als vanzelfsprekend ervaren. De EEG heeft zijn deelnemers economische ontwikkeling en welvaart gebracht. Frankrijk is van een economisch zwakke rurale economie tot een moderne post-industriële natie geworden met hoogontwikkelde technologie en infrastructuur. Ook grote delen van de landbouwsector behoren thans tot de modernste van Europa. Bovendien ontvangen Franse boeren gemiddeld de hoogste subsidies uit de Brusselse kassen. Ten derde heeft de opbouw van de EEG als zone van vrede en stabiliteit ook als alternatief gediend voor de volken van Oost-Europa onder de communistische bezetting. De communistische expansie kon worden beteugeld door de compromisloze verdedigingswil die wij met onze Amerikaanse bondgenoten konden mobiliseren. De volledige instorting van het communisme kan mede op het conto van de Europese samenwerking worden geschreven, die onze vrienden een duidelijk politiek en economisch alternatief biedt. De toenadering tot de volkeren van Oost-Europa is daarmee geworden tot de grootste nieuwe uitdaging die ons is gesteld.

Het is de verdienste van Bondskanselier Kohl en president Mitterrand, dat zij - terstond na de ondergang van het Sovjet-imperium - de integratie van de landen van Centraal-Europa en van de Baltische Staten bovenaan de politieke agenda hebben geplaatst.

Het is van strategisch belang dat tussen het welvarende West-Europa en het onrustige Rusland in transitie geen politiek vacuüm ontstaat. Het toekomstige lidmaatschap van de Unie biedt niet alleen een perspectief op lotsverbetering. Ook wordt de nog wankele democratieën een duidelijke ontwikkelingsrichting voorgehouden. Daarmee kan ons bespaard blijven dat de oostgrens van de Unie wordt gevormd door politiek instabiele staten met een verarmde bevolking. De toetreding van acht à tien Oosteuropese staten tot de Europese Unie is een majeure operatie. Zeer in de aandacht staan de politieke en institutionele gevolgen daarvan. In het kader van de intergoevernementele conferentie van 1996 zullen oplossingen moeten worden gevonden voor de dreigende verlamming van de instellingen. Minstens zo belangrijk en politiek moeilijker te hanteren zijn de economische en financiële vraagstukken waar wij dan voor komen te staan.

Vaak is geschreven over het proces van toenadering tot en aanpassing aan de Interne Markt. Dat is een proces waarbij veel zal worden gevraagd van het aanpassingsvermogen van economie en bestuur. Maar de integratie van de landbouwsector van de toetredende landen vergt ook belangrijke aanpassingen aan onze zijde.

Twee zaken acht ik zeer onwenselijk. Ten eerste: het langdurig uitsluiten van de Poolse en Hongaarse landbouw van de gemeenschappelijke markt. En ten tweede: het opnemen van die landen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zonder wezenlijke aanpassing daarvan. Dat zou tot een sterke groei van de produktie leiden, met overeenkomstige marktverstoring. Berekeningen wijzen ook uit dat de kosten van het GLB explosief zullen stijgen.

Hervorming van het GLB zal dan ook nodig zijn vóór de toetreding wordt beklonken. De rol van Frankrijk hierbij lijkt mij van vitaal belang. Ik heb er al op gewezen dat Frankrijk de grote begunstigde van het GLB is. Het heeft dus veel te verliezen. Duurzame ontwrichting van de landbouwmarkt is niet in het Franse belang. Een explosieve stijging van de kosten van het GLB evenmin. Ik wijs erop dat van iedere extra ecu die aan de Brusselse begroting wordt toegevoegd de Franse belastingbetaler anderhalve franc voor zijn rekening neemt.

Dit dilemma wordt verscherpt als wij bedenken dat ook wat betreft de structuurfondsen de nieuwe leden allen netto ontvanger zullen zijn. De structuurpolitiek van de Unie zal dus op de helling moeten. Verouderde en ineffectieve programma's zullen moeten worden afgeschaft. De rijke Unielanden die per jaar tientallen miljarden francs uit de structuurfondsen claimen, zullen hun aanspraken moeten herzien. Gebeurt dit niet, dan zullen de uitgaven van de Unie na de eeuwwisseling sterk stijgen. Politiek is dit ongewenst. Juist als in de Unie alle zeilen moeten worden bijgezet om begrotingstekorten te verminderen ten einde de EMU-convergentiecriteria binnen bereik te brengen kan de Unie zich een laissez-faire beleid niet veroorloven.

Financiële hervormingen zijn dus onlosmakelijk verbonden aan het uitbreidingsproces. De Europese Raad in Madrid moet dit onder ogen zien en een besluit nemen om dit onderwerp zeer duidelijk op de Europese agenda te plaatsen.

Terloops noemde ik de tweede grote uitdaging op Europees terrein: de EMU. De globalisering van onze economieën en de liberalisatie van het kapitaalverkeer scheppen ongekende mogelijkheden voor nieuwe economische groei op wereldschaal. De keerzijde is dat landen wier valuta niet tot de reserve-valuta behoren kwetsbaar zijn voor koersschommelingen. Binnen de Interne Markt leidt dit tot voortdurende distorties in de onderlinge handel. Valuta- en marktonzekerheden maken ondernemers minder snel bereid risico te nemen en te investeren. Lagere economische groei is het gevolg. Herstel van stabiliteit op de Europese valutamarkten moet daarom hoge prioriteit hebben. Hoeksteen van dit beleid is de derde fase van de EMU die in 1999 moet ingaan. In dit verband acht ik de recente bevestiging door de Franse regering van de hoge prioriteit van de EMU van uitzonderlijk belang.

Ik ga ervan uit dat de Franse overheid in 1997 volledig aan de convergentiecriteria zal voldoen. Dat is een belangrijk richtsnoer voor de Franse politiek en een positief signaal aan de Europese partners. Want ik wil over één zaak geen enkel misverstand laten bestaan: zonder strakke convergentie en zonder financiële discipline zal ook in de verdere toekomst een EMU niet tot stand komen. Vanuit Duits en ook Nederland perspectief is het politiek ondenkbaar dat wij zullen instemmen met het vervangen van harde valuta en lage rentevoeten door minder solide waarden.

De derde uitdaging die wij gezamenlijk onder ogen moeten zien, is de problematiek van de grensoverschrijdende criminaliteit. Gelukkig dringt in de meeste lidstaten het besef door, dat hechtere samenwerking op de terreinen van justitie en politie dringend geboden is. Moderne mobiliteit en liberalisatie van handels- en personenverkeer brengen met zich mee dat ook de zelfkant van de samenleving meer en meer transnationaal wordt. Een zuivere nationale aanpak van deze problemen wordt minder effectief. Onze burgers verwachten terecht van onze regeringen, dat zij adequaat reageren en de bedreigingen en ontwrichting van onze samenleving een halt toeroepen. De opname van de derde pijler in het Verdrag van Maastricht was een juiste en tijdige reactie op deze beweging. Toch moeten wij constateren dat de justitiële samenwerking weinig voortvarend van de grond komt. Dat is niet verwonderlijk.

Politie en justitie behoren immers tot de oudste taken van nationale staten. Bestuurlijke, politieke en culturele tradities hebben zich bij ieder van ons verschillend ontwikkeld. In Frankrijk zijn politie en justitie sinds de Napoleontische tijd sterk centraal georganiseerd. In Nederland kennen wij een zorgvuldig evenwicht tussen de nationale en regionale bevoegdheden, terwijl in Duitsland de Länder de dienst uitmaken. Ook de opvattingen inzake recht en moraal lopen sterk uiteen. Zo zal in noordelijke lidstaten overtreding van belastingwetten hoog worden opgenomen, terwijl in zuidelijke lidstaten de verhouding tussen fiscus en burger meer ontspannen wordt bezien. Ook tussen Nederland en Frankrijk hebben wij te maken met verschillen in opvatting. Het bekendste daarvan is de drugspolitiek. De politieke ophef en de verwijten over en weer die hierover worden gemaakt, zijn te betreuren. Zij verhullen het feit dat beide regeringen het roerend eens zijn over de centrale doelstelling: het gezamenlijk tegengaan van de internationale drugshandel en de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Politisering van dit conflict maakt het moeilijk oog te hebben voor de problemen en ervaringen met de indamming van de drugsproblemen. Zo hebben wij in Nederland goede resultaten bij de beperking van de verspreiding van soft drugs geboekt door het gebruik ervan uit de strafwetgeving te halen. Ons beleid staat dan ook niet meer alleen, maar vindt navolging in verschillende Länder van de Bondsrepubliek.

Tegelijk hebben wij in Nederland onvoldoende oog gehad voor de uitwassen van ons beleid. De kritiek van Frankrijk op de te grote tolerantie ten aanzien van de coffeeshops hebben wij ons aan te trekken vanwege de negatieve grensoverschrijdende effecten ervan.

De drugsproblematiek leert ons wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van onze justitiële samenwerking. Samenwerking bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit moet voorop staan. Wij zullen over en weer van elkaar moeten leren waar wij succes kunnen boeken bij beteugeling van het drugsgebruik en het beperken van de schade voor de volksgezondheid. Wij zullen oog moeten hebben voor de grensoverschrijdende problemen en deze gezamenlijk moeten oplossen. Maar wij mogen niet de illusie koesteren dat wij bij diepgewortelde maatschappelijke problemen als de drugsproblematiek onze opvatting en onze oplossingen aan elkaar kunnen opdringen.

Elk land komt op voor zijn belangen. Frankrijk doet dat, Nederland behoort dat ook te doen. Maar iedere belangenbehartiging moet beginnen met de juiste analyse.

Daarvoor is het nodig dat regeringen helder positie kiezen. Hoever wil de Franse regering de Europese integratie laten voortschrijden?