Is relativisme onvermijdelijk?

Ernest Gellner, die ruim twee weken geleden overleed, kreeg vooral bekendheid door zijn nieuwe kijk op het verschijnsel van het nationalisme. Verre van dit als een reactionaire stroming af te schilderen, stelde hij dat het juist - in de tijd van zijn opkomst - een modern, ja een moderniseringsverschijnsel is.

In het artikel dat Raymond van den Boogaard in de krant van 7 november aan hem wijdde, trof mij dat Gellner een soortgelijke, bijna provocerende these over het moslimse fundamentalisme had geponeerd: “Verre van achterlijk, is het fundamentalisme juist de ideologie van de moderne samenleving. Het fundamentalisme verschaft de betrokken samenlevingen een breed gedragen ideologie, die goed van pas komt in een wereld van toenemende mobiliteit en verval van kasten en standen.”

Als dat zo is, dan zouden wij ook het nationaal-socialisme als modern verschijnsel kunnen beschouwen. Dat heeft toch ook in zijn samenleving de functie gehad die Gellner aan het moslimse fundamentalisme toeschrijft? In zijn radicalisme was het in elk geval niet conservatief, eerder revolutionair.

Hoe dit ook zij - nu we Gellners interpretatie van nationalisme en fundamentalisme kennen, begrijpen we ook beter zijn kritiek op het cultuurrelativisme van ons fin de siècle. Het toeval wil dat ik indertijd een artikel van hem over dit onderwerp uit de Times Literary Supplement (16 juni 1995) had gescheurd. Dat heb ik nu, naar aanleiding van zijn dood, herlezen.

Voor het grootste deel is dit artikel voor iemand die niet vertrouwd is met de postmodernistische filosofen, ook bij herlezing moeilijk te begrijpen, maar de essentie van zijn betoog is wel te vatten. Ik zal die grotendeels in mijn eigen woorden proberen weer te geven, hopende haar daarbij recht te doen.

Anders dan bij het vorige fin de siècle, toen het mode was de zelfverzekerdheid van de bourgeoisie te ondermijnen, is het nu, honderd jaar later, niet zeker of er wel zekerheden zijn om ondermijnd te worden. Maar dit scepticisme heeft een boemerangeffect: door de criteria van alle rationele kritiek te ondermijnen, geeft het carte blanche aan iedere intellectuele toegeeflijkheid. Totaal relativisme eindigt met het onderschrijven van goedkoop dogmatisme.

Gellner zoekt de oorzaak van dit relativisme onder andere in het verlangen naar post-imperiale boetedoening. Na eeuwenlang andere culturen onze normen, als waren zij absoluut, te hebben opgelegd, zijn we nu naar het tegenovergestelde gezwaaid en vinden we dat we culturen moeten respecteren die normen volgen die wij, volgens onze normen, zouden moeten verafschuwen.

Zo eindigen we bij totaal relativisme. Ja, Gellner gaat zo ver te zeggen: “Respect voor anderen houdt relativisme in.” Van dat relativisme worden we zelf slachtoffer. Immers, de meeste volken die nu profiteren van ons relativisme, willen maar al te graag ook profiteren van de produkten van onze normen: onze technologie bijvoorbeeld, die hun economische en militaire macht verschaft.

Bovendien: vele van die culturen zijn zelf allesbehalve relativistisch. Zij geloven niet in de gelijkwaardigheid van alle culturen. Zelfs binnen hun eigen culturen doen ze dat niet. Met andere woorden: de relativist, voor wie alle culturen gelijkwaardig zijn, begaat de zonde die hij juist wilde vermijden: door culturen te respecteren die gelijkwaardigheid verwerpen, bevordert hij het geloof in de ongelijkwaardigheid.

Ten slotte: of het relativisme nu al dan niet aanvaardbaar is - het heeft alleen zin in een wereld waarin de culturen gescheiden, min of meer identificeerbare eilanden zijn, Do in Rome as the Romans do is alleen maar mogelijk wanneer je ongeveer weet wat de grenzen van Rome zijn. Welnu, in de grenzeloze wereld van vandaag lopen alle culturen door elkaar. Dus: het relativisme heeft geen zin - zelfs als het al geen andere gebreken zou hebben.

Tot zover de kern van Gellners betoog. Als we dit betoog tot in zijn conclusies kunnen volgen, blijft er toch nog ruimte voor enkele kanttekeningen. Bijvoorbeeld: het verwerpen van relativisme betekent niet noodzakelijkerwijs dat wij onze normen ook aan andere culturen opleggen. Vrijheid blijheid en geen terugkeer tot imperialisme en kolonialisme. Maar botsen op elkaar zullen die verschillende normen altijd, in een wereld die geen culturele eilanden meer kent. Zullen die botsingen altijd vreedzaam zijn?

Andere vraag: als culturen niet gelijkwaardig zijn, beter: als culturen elkaar niet gelijkwaardig vinden (of volgens Gellner: mogen vinden), wat is dan de norm die uitmaakt welke cultuur al dan niet gelijkwaardig is? Gellner gaat die vraag niet uit de weg, want aan het eind van zijn artikel zegt hij (en ik gebruik weer mijn eigen woorden):

Een morele legitimatie heeft een vaste grond nodig. Maar aan die vaste grond zijn we juist gaan twijfelen als gevolg van dezelfde kennis die ons tenslotte bevrijd heeft van de armoede. Onze morele crisis is dus ook de vrucht van onze bevrijding van gebrek en tirannie.

Ook dit kunnen we tot in zijn conclusies volgen, maar de vraag: wat is die vaste grond? blijft onbeantwoord. Misschien is die vaste grond er wel helemaal niet, en misschien moeten we er ook niet naar zoeken, zoals Pascal ons aanraadt:

“Wij branden van verlangen een stevige grondslag en een laatste vaste ondergrond te vinden, teneinde er een toren op te bouwen die zich verheft tot in de oneindigheid. Maar heel ons fundament kraakt, en de aarde opent zich tot in de diepste diepten. Laten wij dus geen zekerheid en vastheid zoeken!”

Maar als we deze raad volgen, is relativisme welhaast onvermijdelijk. Zoals trouwens Gellner zelf schijnt te vrezen, want in het begin van zijn artikel zegt hij, het eind van het vorige met dat van dit millennium vergelijkend:

“Bij het naderen van het jaar 1000 verwachtten de Europeanen het eind van de wereld, maar dat kwam niet. Ik vrees dat zij nu, met het naderen van het jaar 2000, niet verwachten dat de wereld tot haar eind zal komen, maar dat het deze keer wèl zal gebeuren. In elk geval wens ik niet bij te dragen tot de ontbinding van de wereld door mee te doen met de verwerping van alle orde, logica en objectiviteit.”

Akkoord, maar deze orde, logica en objectiviteit zijn de orde, logica en objectiviteit zoals ze in de westerse cultuur gelden. Andere culturen hebben hun eigen concepties van orde, logica en objectiviteit.