In kogelvrij vest naar Haagse markt

DEN HAAG, 21 NOV. Het gaat slecht met de grootste markt van Nederland. “De mensen hebben geen koopkracht meer”, zegt mevrouw T. Habraken die sinds 1962 met planten op de Haagse Herman Costermarkt staat. “Vroeger hoefde ik helemaal geen moeite te doen om aan een goede omzet te komen. Tegenwoordig sta ik vriendelijk te praten tegen lastige klanten om toch maar iets te verkopen.”

Het aantal bezoekers van de markt is de laatste jaren achteruit gehold. Kwamen er in de jaren zeventig meer dan zestigduizend bezoekers, nu zijn dat er nog maar dertigduizend. Er komen niet langer bezoekers van buiten de stad. Van winkelend ambassadepersoneel is geen sprake meer. Het zijn alleen nog de bewoners van de Schilderswijk en Transvaal, de twee wijken waartussen de markt ligt ingeklemd, die langs de kramen schuifelen om de dagelijkse boodschappen te doen.

De Haagse markt is nog steeds erg groot, 540 kramen, maar het assortiment is volgens oudere kooplieden beperkt geworden. Vooral de grote partijen kleding worden als onaantrekkelijk ervaren. Mevrouw Habraken herinnert zich de tijd toen ze in een complete straat met plantenverkopers stond. Nu zijn op de hele markt nog maar vijf.

Vorige week presenteerde de Haagse afdeling van de Nederlandse Vereniging van Ambulante Kooplieden een zwartboek 'Knollen voor citroenen' over de markt. De marktkooplieden leggen de schuld voor de verpaupering bij de gemeente die door gebrek aan visie, beleid en controle het zover heeft laten komen. Als de gemeente niet snel maatregelen neemt, zit er volgens de marktkooplieden niets anders op dan de markt verplaatsen naar het centrum van Den Haag.

Een van de klachten is dat een herinrichting van de markt waartoe de gemeenteraad zeven jaar geleden besloot nog steeds niet is voltooid. Deze wordt onmogelijk gemaakt doordat een aantal marktkooplieden weigert de standplaats te verlaten. Het gevolg is dat de gangpaden smal zijn, waardoor het zakkenrollers gemakkelijk wordt gemaakt. Verder klagen de kooplieden over gevoelens van onveiligheid bij het publiek, gebrek aan controle door de politie en de marktmeesters en de slechte bereikbaarheid.

Opsteller van het zwartboek is secretaris L. van Popering van de Nederlandse Vereniging van Ambulante Kooplieden. Hij meent dat Hagenaars alleen nog “met een kogelvrij vest en veel moed” naar de Herman Costermarkt durven te gaan. Behalve zakkenrollers wekken grote groepen rondhangende jongeren gevoelens van onveiligheid op. Verder komt volgens Van Popering fraude zoals onlangs in Amsterdam werd geconstateerd regelmatig voor onder kooplieden. “Ik heb geen reden om aan te nemen dat het in Den Haag anders toegaat dan in Amsterdam.”

De koopliedenvereniging beschuldigt de marktmeesters ervan zich niet staande te kunnen houden tegenover frauderende kooplieden, die zich vooral onder de driehonderd 'meelopers' zouden bevinden. Dit zijn kooplieden die op een wachtlijst staan en iedere dag opnieuw een plaats moeten zien te bemachtigen. Sommigen van hen zouden buiten de officiële uitgifte om een kraam innemen. De marktmeesters zouden dit door de vingers zien. Van Popering: “Een marktmeester is ook maar een mens.” De marktmeesters weigeren elk commentaar.

De kooplieden die een vaste plaats op de vierdaagse markt bezitten, bevestigen dat er wordt gesjoemeld. M. van der Veen, verkoper van damesmode: “Wij worden hier in een situatie gedwongen dat we moeten pikken. Ik sta tussen kramen van mensen die voor een baas in Turkije werken en die de kleding illgaal uit Engeland laten komen. Daar kan ik niet tegen op verkopen. Dus wat ik doe is voor de belasting mijn winst zo laag mogelijk houden.”

Zijn broer C. van der Veen, verkoper in stoffen: “Ik ga met de VUT. Bij mij is de fut eruit. Wat je hier tegenwoordig meemaakt is onbeschrijfelijk. Ze kopen eerst een paar meter stof voor vier gulden per meter, we knippen het af en vervolgens zeggen ze: ik dacht dat het voor twee gulden per meter was.”

De gemeente Den Haag is het zwartboek zorgvuldig aan het bestuderen, aldus een woordvoerder, een reactie volgt later.