Hoe heerlijk is het anoniem te geven

Je ziet ze tegenwoordig weinig meer, mensen die op sinterklaasavond met een pakje onder de arm langs de straten snellen, ergens aanbellen en zich dan schielijk weer uit de voeten maken. Gehurkt achter een auto of een muurtje wachten ze - nog nahijgend - het moment af waarop de deur geopend wordt en het luide 'Dank u Sinterklaasje' hun vrije aftocht biedt. Iemand een surprise bezorgen is een gewoonte die aan het verdwijnen lijkt. Al in de zeventiende eeuw werden op pakjesavond verrassingen aan huis bezorgd, vaak speculaasvrijers. Stille aanbidders hoopten met een dergelijke geste op een definitieve doorbraak. Maar omdat de traditie wil dat de cadeautjes anoniem afgeleverd worden, was de gelukkige afloop lang niet altijd gegarandeerd. Een beetje plagen mocht vroeger ook al. Een hoogleraar die voortdurend op de correcte, volledige weergave van zijn hooggeleerde en eindeloos lange adellijke naam hamerde, moest het op sinterklaasavond bezuren. Zijn studenten, niet zo hardleers als hij dacht, lieten hem bij die gelegenheid zijn volledige naam thuis bezorgen, in banket uitgevoerd. Alleen al het zien van die enorme hoeveelheid banketletters moet de man buikpijn bezorgd hebben.

Zulke alleraardigste menselijke activiteiten komen slechts zelden in officiële geschiedschrijving terecht. Alleen bij toeval wordt zo een 'petit histoire' geboekstaafd. Op 7 december 1800 bedankt Betje Wolff een vriendin: “Niets had ik minder gewagt dan dat St. Nicolaas my, door uwe tusschenkomst zo een fraai present doen zoude!” Sinterklaas had Betje een 'Samaartje' geschonken, een damesjaponnetje.

Bij schrijvers hebben we over het algemeen toch al meer geluk. Ook al zijn hun verhalen verzonnen, ze komen niet uit de lucht vallen. Vooral in de negentiende eeuwse literatuur kan de liefhebber zijn hart ophalen. Eline Vere bij voorbeeld krijgt op pakjesavond een waaier bezorgd en verliest zich dan wekenlang in steeds romantischer fantasieën over de identiteit van de afzender. Dat die gelukzaligheid onvermijdelijk in een diepe neerslachtigheid omslaat, zal niemand die haar een beetje kent verbazen. Van een bijna onvoorstelbare pikantheid - zeker voor die tijd - is de sinterklaassurprise die Jacob van Lennep in zijn Klaasje Zevenster(1866) beschrijft. Verwachtingsvol opent een groepje Leidse studenten een zojuist bezorgde doos. Wat zij ook gehoopt hadden, niet dit: een pasgeboren, zorgvuldig ingebakerde, zoet slapende baby. Een misstapje misschien van een van hen? Het grootmoedige gebaar dat volgt, maakt veel goed. De jongeheren besluiten het kind, een meisje, collectief te adopteren en voor haar opvoeding zal ieder naar vermogen bijdragen. Ter herinnering aan de dag van haar komst wordt zij Klaasje genoemd.

Het grote voorbeeld van het onverwachte en anonieme geven is de heilige Nicolaas zelf geweest. Een legende uit de negende eeuw, van eeuw tot eeuw doorverteld en met name in de middeleeuwen talloze malen uitgebeeld, heeft het grondplan aangeleverd. Op fresco's, op paneel, op doek en perkament, steeds zien we een binnenkamer met daarin drie bedroefd ogende meisjes. Hun vader, een verarmd edelman, heeft hen zojuist verteld dat zijn geld nu eens en voor altijd op is. Hij zal hen niet meer kunnen onderhouden, laat staan voor een bruidsschat zorgen. De middeleeuwse schilderkunst, waarin eenheid van tijd nog geen vereiste is, biedt ook het volgende actiemoment: aan de buitenkant van het huis werpt de heilige Nicolaas, die via via van het droevige geval gehoord had, goudstukken door het raam naar binnen. De regen van muntstukken zal genoeg blijken voor drie flinke bruidsschatten en de vrijers laten dan ook niet lang meer op zich wachten. Het aardige van het verhaal ligt in de toegevoegde details: het is avond als Nicolaas zijn genereuze werk verricht en na zijn goede daad maakt hij zich als een haas uit de voeten, het moest een verrassing blijven.

In het naspelen van deze legende viel het accent steeds meer op het verrassende geven zelf; het lenigen van nood raakte in de loop der eeuwen op de achtergrond, maar stak in de negentiende eeuw toch weer de kop op.

De weelde waarin Eline Vere leefde en de relatieve welgesteldheid van de Leidse studenten zouden ons bijna doen vergeten dat die negentiende eeuw ook andere sociale klassen kende. Er waren de eenvoudige handwerkslieden en de landarbeiders, er was - vooral rond het midden van de eeuw - de onafzienbare schare van werklozen. De industrialisatie had daarenboven een ellendig fabrieksproletariaat voortgebracht. De eeuw was al met al heel geschikt om gevoelens van mededogen te ontwikkelen bij hen die daar ontvankelijk voor waren. En dat was in ieder geval de dominee-dichter Johannes Petrus Hasebroek. In een gedicht had Hasebroek eens geklaagd over de oneerlijke verdeling van de rijkdom, een onrechtvaardigheid die ook, of juist, bij het Sint-Nicolaasfeest zo schrijnend bleek:

En nu verrijkt gij (Sint-Nicolaas)

met uw schat den rijken

Als droegt gij water in de zee:

Men ziet u niet in de arme

wijken;

Gegoeden deelt ge uw goedren

mee.

't Satijnen schoentje vloeit van

gaven over

Die ge uit uw korfje stroomen

laat

Daar 't houten klompje, grof en

pover

Door u vergeten, ledig staat.

Natuurlijk was het de goegemeente die hij in de persoon van Sinterklaas toesprak. Hoe het anders moest, kon men lezen in zijn proza. De ik-figuur vertelt hoe hij met een volle beurs van huis vertrekt en toen: “... spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! Geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! Het feest van St.-Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan ... Ik hoorde een kind om brood schreien. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zoogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open - er viel zelfs iets klinkends op den grond - ... Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen, ... - maar toen zij weer naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien. Ik keerde ledig op mijn kamer terug.”

Zó hoeft het tegenwoordig niet meer, gelukkig. Maar waarom het kind met het badwater weggegooid? Er is niets op tegen vriend en vijand eens te verrassen. Geven is leuker dan ontvangen, zeker op deze manier.