Barbaren op Internet worden nu juist almaar beschaafder

Solliciteert Paul Scheffer naar een betrekking als de Paul Thoreau van het Internet? “Wij nemen de trein niet, de trein neemt ons”, schreef Thoreau in zijn boek 'Walden Pond', een technologisch schrikbeeld waarvan echo's weerklinken in Scheffers beschrijving van het Internet als “een soort dark room: veel vluchtige contacten en hier en daar een akelig virus” (NRC Handelsblad, 13 november).

Scheffer is terecht wantrouwig jegens “contactgestoorde” nerds met een hang naar sociale experimenten. Het onvermogen van Bill Gates om mensen recht in de ogen te kijken is berucht. Maar Scheffer ziet een veel interessanter probleem dat op onze Doors of Perception-conferentie te Amsterdam werd aangeroerd over het hoofd: als we besluiten de digitale revolutie nìet haar eigen dynamiek te laten volgen, welke criteria moeten we dan hanteren om haar in de door ons gewenste banen te leiden?

Deze vraag stuit in de Verenigde Staten meestal op een blik vol onbegrip. Technologisch determinisme heeft daar altijd een vruchtbaarder voedingsbodem gevonden dan in Europa. Amerikanen lijken er tegenwoordig genoegen mee te nemen zich te vergapen aan de technische mogelijkheden van multimedia en global networks; wij Europeanen zijn natuurlijk ook wel onder de indruk van wat dat spul allemaal kan doen, maar we willen ook weten waarom we dat ermee zouden doen.

Tot nu toe gaan de enige concrete plannen van de Time Warners en Viacoms van deze wereld (en zeker de enige serieuze investeringen) in de richting van video-on-demand, teleshoppen en telewerken - ontwikkelingen die zakelijk gesproken interessant klinken maar sociaal gezien omstreden zijn. Daarom is nu juist in 1993 het initiatief genomen tot een jaarlijkse Doors of Perception-conferentie. De geschiedenis leert ons dat de samenleving altijd verandert onder invloed van nieuwe technologieën - en niet altijd ten goede. Toen de spoorwegen pas nieuw waren, dacht niemand na over hun sociale gevolgen, die waren er domweg. Tegenwoordig hebben we geen excuus meer voor zulke gemakzucht.

Scheffer heeft gelijk als hij op dat punt een dunne lijn signaleert tussen nuchtere speculatie over de toekomst en utopisch idealisme. Toen de Doors of Perception dit jaar besloten de gedachtenvorming op dat punt wat te stimuleren - door de vraag te stellen of informatie-technologie kan bijdragen aan duurzame bescherming van de omgeving - liepen we dan ook het risico dat het naïeve enthousiasme van de sociaal geïsoleerde Internet-gebruiker zou leiden tot onvolwassen excursies in social engineering. En zo voelde het soms ook wel aan.

Toch moeten cruciale verschillen worden erkend tussen zulke scenario's en een volledig ontwikkeld, negentiende-eeuws utopisch programma. Om te beginnnen is een scenario geen voorspelling (“Zo zal het gebeuren”) en ook geen voorschrift )“Zo zou het moeten gebeuren”). Een scenario is een 'stel dat...'-verhaal, met als functie ons op een creatieve manier te helpen nadenken over de toekomst, en ons zodoende vandaag de dag in staat stelt intelligenter te handelen.

Neem bijvoorbeeld de workshop over telematica, 'Beyond Being There'. Het voornaamste probleem van hedendaagse teleconferenties is dat de ontwerpers ervan de beeldkwaliteit gelijk stellen aan de kwaliteit van de communicatie. Zij beweren dat ze met een beetje meer bandbreedte (de hoeveelheid informatie die per tijdeenheid over een netwerk verstuurd kan worden) ervoor kunnen zorgen dat je grootmoeder in Australië net zo echt overkomt op je videophone als wanneer je in het echt naast haar zou zitten.

Maar niet heus. Communicatie tussen mensen hangt zozeer af van de context, dat het je met alle bandbreedte van de wereld nog niet zal lukken de multi-zintuigelijke kenmerken van een echt gesprek te reproduceren. Je kunt veel beter telematica-systemen ontwerpen die een onderdeel - maar een veelzeggend onderdeel - van een bepaalde omgeving weergeven: een detail van een vloerkleed, het geluid van een klok, de geur van een bloem. Zo ontstaat een verhevigde realiteit, eerder dan een virtuele.

Ik ben het met Scheffer eens dat uitwisseling van kennis tussen mensen niet noodzakelijk meer begrip voor elkaar betekent, of een nieuwe 'morele code'. Dat het Internet mensen en computers koppelt wil nog niet zeggen dat ze wonderbaarlijk zullen versmelten tot één systeem van normen en waarden en spontaan zullen gaan samenwerken om de planeet te redden. Mensen zullen alleen maar tot zinvolle samenwerking komen als ze eerst de kans krijgen gezamenlijk met allerlei projecten te experimenteren. Op onze conferentie was ook bijna iedereen het erover eens dat zulke interpersoonlijke contacten aanvankelijk fysiek contact veronderstellen, gevolgd door waarden als eerlijkheid en openheid tijdens de daaropvolgende virtuele interactie.

Dat besef was een duidelijk keerpunt op de conferentie dit jaar, mijlenver verwijderd van de psychologische spelletjes en het idee van 'gewoon jezelf zijn' op het net. Het zou nog steeds overdreven zijn om dit als een nieuwe 'morele code' te omschrijven, maar onder Internet-veteranen leefde wel heel sterk het idee dat virtuele communicatie met hersenschimmen of fantasieën op den duur niet erg interessant is. Het is waar dat een bepaald evangelisch élan naar boven kwam in Paradiso toen de twaalf workshops met hun presentaties kwamen. Paul Scheffer moest daarbij denken aan de nieuwe, toegegeven: vreselijke, Philips-leus 'Let's make things better', en hij snoof in de sfeer op dat “de geitenwollen sok en de zakenman elkaar (hebben) gevonden in een nieuw conformisme”.

Een wrang oordeel, en deels terecht. Maar slechts deels! Het festival zocht een weg tussen twee sterk verschillende gemeenschappen: die van de anti-technologische, schuldbewuste en doemdenkende milieu-activisten, en de gung-ho, sociaal onaangepaste, anarcho-individualistische hacker-types. Die polarisatie in aanmerking genomen, vond ik het opzienbarend hoe coöperatief de sfeer in onze workshops werd, en hoe snel ze elkaar vonden in één conclusie: informatie-technologie en global networks geven ons de mogelijkheid onze kennis te vergroten van de natuurlijke, menselijke en industriële systemen die ons omringen.

De ecologische crisis is deels het resultaat van kortsluiting tussen die systemen, maar deels ook van de machteloosheid die we voelen als we geconfronteerd worden met systemen van zulke omvang en complexiteit. Het enthousiasme op onze conferentie was niet te wijten aan een of andere wensdroom dat technologie onze redding betekent, maar aan een gevoel van 'greep op de materie krijgen'. Met deze technische middelen kunnen we op nieuwe manieren nadenken en handelen. De toekomst hoeft ons niet te overkomen, wij kunnen háár overkomen. John Thackara is directeur van het Amsterdamse Vormgevingsinstituut en organisator van de Doors Of Perception-conferentie.