Wachten onder uitgespreide zwanevleugels

Gebouw: Station Leiden. Architect: NS-ingenieursbureau, Harry Reijnders. Gebouwkosten: 39 miljoen gulden. Uitbreiding emplacement: 70 miljoen gulden. Oplevering eind 1995.

In januari van dit jaar werd in de Utrechtse Jaarbeurs de 24ste Internationale Postduiven Olympiade gehouden. Het evenement trok veertigduizend bezoekers en dat is genoeg voor een bericht in de krant. Het Parool, het dagblad van de duivenstad bij uitstek, Amsterdam, had het bericht in de vorm gegoten van een vijfkoloms foto met onderschrift. De onderste helft van de foto werd in beslag genomen door een onoverzichtelijke stellage, opgebouwd uit witte, verticale en horizontale staafjes. Het traliewerk bleek te zijn samengesteld uit drie, identieke kooien die tegen elkaar waren geschoven. In elke kooi zat een duif, maar de blikvanger van de illustratie bleef ontegenzeggelijk de witte bouwconstructie waar drie heren met zichtbaar genoegen op neerkeken.

Een week eerder stond in dezelfde krant een bijna even grote foto van het nieuwe NS-station in Leiden. De gelijkenis tussen de kooien en het station was zo frappant dat ik even dacht dat de drie heren zich bogen over een maquette van de jongste creatie van NS-architect Harry Reijnders. En toen ik dezer dagen het station bezocht, was de foto met de kooien zo duidelijk in mijn hoofd aanwezig, dat ik in de lichte hal, achter het witte traliebos van de gevel, even een reuzenduif meende te zien.

Wanneer de relatie met vliegen en vogels eenmaal is gelegd, dan laat dit beeldverband je in dit luchtige station niet gauw meer los. De vleugels van de enorme overspanning - gedragen door een machtige staalconstructie als van het nieuwe Ajaxstadion - spreiden zich in een prachtig gebogen lijn uit over de centrale perron-toegangen. Door de brede, glazen middenbaan in de kap stroomt overvloedig licht naar binnen, dat boven de perrons wordt vastgehouden door de gesloten vleugel-uiteinden. De grote, matwitte vlakken die elegant naar beneden dalen tot zij bijna de rechte kappen van de afzonderlijke perrons raken, zijn de edelste bestanddelen van de overspanning. Op deze plaats lijkt de treinreiziger zich te bevinden onder de uitgespreide vleugels van een zwaan en dat kan een heel poëtische ervaring zijn. Buiten is de mooie glooiing van de twee neergaande lijnen het beste te zien aan de achterzijde van het station. Hier is ook een ander verschijnsel te bewonderen: een overdekte fietsenstalling die het waard is om getoond te worden. Met fietsen is het eigenaardig gesteld. Eén fiets is mooi, maar meer fietsen bij elkaar zijn al gauw een wanordelijk zootje waardoor een overigens aangenaam beeld onherroepelijk wordt bedorven. Bij de meeste stations, zeker in universiteitssteden, worden krasse staaltjes van dergelijke, massale rijwielscènes vertoond. In Leiden zijn de fietsen, althans op deze plaats, aan het oog onttrokken door een eindeloze golfwand van glazen bouwstenen die aan de voet van het spoorviaduct voor een intrigerend element zorgen, want een bouwsteen van glas is even doorzichtig als ondoorzichtig.

Na station Sloterdijk, station Rotterdam-Zuid en Rotterdam Blaak is station Leiden het vierde stationsgebouw dat Harry Reijnders ontwierp sinds hij in 1982 in dienst trad van het ingenieursbureau van de Nederlandse Spoorwegen. Voor elk van deze stations geldt dat de term 'gebouw' eigenlijk niet goed van toepassing is. Het zijn industriële, technologische constructies die zich niet als bouwkunst laten beoordelen. De moderne uitingen van architectuur waarbinnen onze transportmiddelen, gedurende een paar minuten of voor langere duur, tot stilstand komen - stations en terminals voor treinen, bussen, vliegtuigen en schepen gaan steeds meer op elkaar lijken - kunnen slechts worden gewogen op hun ruimtelijke helderheid, functionaliteit en vooral op hun stemmingmakerij. In het laatste zit de mengeling van eigenschappen van het bouwwerk verstopt waardoor onze appreciatie wordt gevormd, zoals originaliteit, materiaalgebruik, kleur en precisie.

Station Leiden is nog niet voltooid. Van de accomodatie voor de tegenwoordig in elk station onvermijdelijke winkelnegotie, die hier in de brede passage tussen hal en achteruitgang moet komen, staan alleen de skeletten van hout of beton overeind. De perronhekken zijn nog opgevuld met triplex en toen ik net uit de trein was gestapt, twijfelde ik eerlijk gezegd even of dit niet de bedoeling was. De hedendaagse revolutionaire architectuur bedient zich van duizelingwekkende technologie en is aan de andere kant niet afkerig van de meest primitieve verwerking van de goedkoopste materialen. Maar het provisorische karakter waarmee de panelen waren aangebracht, overtuigde snel dat het hier een voorlopige voorziening betrof. Zo zijn er meer obstakels, als bouwketen en schuttingen, die een eerlijke indruk van het nieuwe station belemmeren. Maar er staat meer dan genoeg overeind om dit stukje te rechtvaardigen en om vast te stellen dat het nieuwe Station Leiden een aangename, originele witte oase is geworden vol licht, lucht en ruimte.

De treinen rijden ogenschijnlijk dwars door de entreehal die zo wonderlijk transparant is dat begin en einde van de hoge ruimte zich niet direct laten vaststellen. De zijkanten verraden zich wel onmiddellijk. Zij zijn opgebouwd uit licht doorschijnend, polyester golfplaat - die modieuze protestbekleding waarmee vooruitstrevende ontwerpers ons willen laten wennen aan de schoonheid van het allerschraalste bouwmateriaal. De zijkanten van de hal tonen nu al de dreiging van de groezelige, bruingele kleur die straks onvermijdelijk een aanslag op het verheven karakter van de oase zal plegen. Waarom voor deze wanden niet ook, net als voor de voorgevel, helder glas gebruikt?

Dat architect Reijnders zich hier en daar heeft laten meeslepen door zijn enthousiasme om voor Leiden een toegangspoort te maken die klinkt als een klok, is alleen maar een verademing in deze verder akelige, geestdodende omgeving. De gevel is een dermate uitbundig prieel geworden dat je je afvraagt of niet een aantal van de witte kooidelen achterwege had kunnen blijven. Op de twee middenperrons staan vier platte, Olympische schalen van roestvrij staal, elk gedragen op drie manshoge stalen stelen, om het verzamelde regenwater op te vangen. Deze hoogmoedige uitspatting wordt weer in evenwicht gebracht door de aandoenlijke inrichting van de stationsrestauratie. De lijn van de gebogen voorgevel volgend, is aan het raam een snoer met treincoupés gevormd. De nabootsing is natuurgetrouw tot en met een bagagerek boven de stoeltjes aan weerskanten van elk tafeltje. En om de reisopwinding van de bezoekers nog verder op te stoken heeft het management in de meeste bagagerekken mooie antieke koffers gedeponeerd en ronde hoedendozen. Het openingsmenu in het nieuwe stationsrestaurant in Leiden kost ƒ 17,50, hazepeper met vossebessen en spruitjes. Het kan zijn dat als u dit aan het verorberen bent, de intercom doodleuk laat weten dat de expressetrein van negentien uur nulnegen vandaag helaas niet zal rijden. Het is dan beslist geen straf om nog enige tijd in het lichte houten interieur van de Stations Restauratie te moeten verblijven.