Vermeende deskundigheid

In een recent artikel over hoe de Nederlandsde reactie op de jury-uitspraak ons Nederland leert kennen (Nederlands Juristenblad, 20 oktober), merk ik op een bepaalde plaats op, dat de Nederlandse politieke cultuur gekenmerkt is door “een diep geworteld ontzag voor (vermeende) deskundigheid”.

In een overigens voortreffelijk artikel over de huidige mode om cellenbouw te zien als het ultieme antwoord op “de criminaliteit” (NRC Handelsblad 6 november), haalt Kuitenbrouwer deze uitspraak aan. Daarbij heeft hij het over “de snier tussen haakjes”. Op dat punt zit hij echter helemaal mis. Het ging mij er om, dat de bijzondere deskundigheid met betrekking tot de vaststelling van de feiten, die in Nederland aan de rechter (in tegenstelling tot het jury-lid) wordt toegekend, een vooronderstelling is en niet bij voorbaat een feit. In de rest van de wereld ligt dat anders, hetgeen ons mijns inziens iets belangrijks vertelt over Nederland. In de context van een dergelijk betoog kon ik het natuurlijk niet hebben over “deskundigheid” zonder meer, want het ging juist om het feit dat deze in Nederland zo stellig verondersteld en niet beargumenteerd wordt.