O Kist, wat lof verdient ghy!

In 1995 herdenken we dat Hugo de Groot 350 jaar geleden in Rostock overleed. Ontwerper Jaap Drupsteen heeft de geleerde daarom opnieuw in zijn legendarische boekenkist gestopt. Van zijn muntontwerp is een zilveren tientje geslagen. Het rolt dit jaar in 1.500.000 exemplaren de geldmarkt op. In het jaar 2002 moeten alle nationale betaalmiddelen verdwijnen om plaats te maken voor gemeenschappelijke Europese munten en bankbiljetten, dan wordt ook de uitgifte van herdenkingstientjes historie. In de bijbehorende folder, die bij banken verkrijgbaar is, lezen we: “Hugo de Groot geniet wereldfaam als grondlegger van het Volkenrecht. Daarmee hebben zijn gedachten en zijn werk nu nog, 350 jaar na zijn dood, een directe invloed op ons bestaan.”

Maar hoe groot is zijn faam anno 1995 in ons land? Op welke school is een les aan hem gewijd? Van zijn veelzijdig werk als dichter, schrijver, historicus, politicus, landsadvocaat, diplomaat, theoloog en rechtsgeleerde is in de openbare bibliotheken gewoonlijk geen boek te vinden. Bij de VVV op de Markt in Delft, waar het meer dan levensgrote standbeeld van Hugo de Groot bijna voor de deur staat, weten ze niets van een herdenkingsjaar. Is Het Delftsch Orakel dan gedoemd voor de opgroeiende jeugd een onbekende te blijven? Niet helemaal. De Groot heeft de rugzakjes-generatie een spannend ontsnappingsverhaal te bieden. Ontkwam hij niet opgevouwen in een boekenkist uit zijn gevangenschap op Slot Loevesteyn? Iets blijft er altijd wel van het verhaal hangen. Tijdens een rondleiding door het Muiderslot informeert de slimste van een schoolklas regelmatig waar nu toch die dekenkist staat, waarin Floris V ontsnapte?

Hugo de Groot heeft zelf nauwelijks een jeugd gehad. Als kind bezocht hij de Latijnse school. Van een vakkenpakket was geen sprake. Hij leerde alles van theologie tot filosofie en kon als 11-jarige naar de Leidse universiteit gaan. Daar raakte hij bevriend met Frederik Hendrik prins van Oranje. De Groot, of Grotius, heeft zijn hele leven gedichten geschreven. In Leiden wijdde hij al een Latijnse ode aan de 12-jarige prins. De Staten pronkten graag met de grote intellectuele gaven van Grotius. Toen er een delegatie onder leiding van Oldenbarnevelt naar het Franse hof ging mocht de 15-jarige Hugo mee. Koning Henri IV was onder de indruk van het miracle de la Hollande en schonk hem een gouden penning met zijn beeltenis. Grotius promoveerde aan de universiteit van Orléans tot doctor in de rechtsgeleerdheid en opende bij terugkeer in het vaderland een advocatenpraktijk. Hij was toen zestien jaar. Sindsdien hield hij zich bezig met het peinzen over recht en onrecht, straf en vergeving. In een van zijn gedichten verzucht hij jaren later: “Helaas! Wat isser doch van stervelykke menschen? / Wat isser dat men doch kan noemen goed of quaet?” Het viel geen van zijn tijdgenoten op, dat hij zijn jeugd had overgeslagen. En ook hijzelf heeft er nooit over geklaagd. De grens tussen kind en volwassene was nog niet uitgevonden. In alle rangen en standen leefde men naar het verstand en niet naar de jaren.

Op Het Nijenhuis bij Heino hangt een anoniem portretje van de jeugdige advocaat. Het toont een fris, nieuwsgierig jongensgezicht. De witte, gesteven kraag is keurig in 8-vormige plooitjes gelegd. Zijn omgang met volwassen geleerden bracht ook pleziertjes mee. Zo verkondigde Simon Stevin in 1600 dat hij een wagen had uitgevonden, die zonder paardenkracht werd voortbewogen. Niemand kon dit wonder geloven. Op initiatief van prins Maurits vond daarom op het Scheveningse strand een demonstratie plaats. De Oranjeprins had een gezelschap edelen, geleerden en ambassadeurs voor de rit geïnviteerd. Ook de Spaanse veldheer Mendoza, die tijdens de Slag bij Nieuwpoort krijgsgevangene was gemaakt, moest mee. Maurits' broer Frederik Hendrik en diens vriend Hugo de Groot namen als eersten plaats in de grote zeilwagen. Angstig stonden de bewoners van het visserdorp toe te kijken hoe twee machtige zeilen zich ontrolden. Met een schok zette het eikenhouten gevaarte zich in beweging en rolde, bestuurd door prins Maurits, met een razende snelheid over de vlakke zandplaat. Natuurlijk dichtte de uitgelaten Hugo de Groot Latijnse epigrammen op het gebeuren.

Negentien jaar later waren alle vriendschappelijke banden met de Oranjes verbroken. Grotius had in het godsdienstig en politiek verknoopte conflict tussen remonstranten en contraremonstranten partij gekozen voor de eersten. Zijn handelwijze werd hem als een 'capitael crimen' aangerekend en de rechtbank veroordeelde hem in 1619 tot levenslange gevangenschap op Slot Loevesteyn. In 1621 stapte Grotius in zijn boekenkist en legde zijn hoofd hoopvol op het Nieuwe Testament. Het deksel werd gesloten. Zijn vrouw Maria van Reigerberch drukte een kus op het slot en liet de kist ophalen. Het mag een wonder heten dat geen van de soldaten de kist heeft geïnspecteerd en dat de geleerde onderweg niet is gestikt. Hij droeg na zijn bevrijding een gedicht aan hem op: 'O Kist, wat danck, wat lof verdient ghy wel van my!' Grotius vluchtte naar Frankrijk. Toen Frederik Hendrik in 1625 stadhouder werd, verwachtte de banneling dat hij weer welkom zou zijn in zijn vaderland. Maar dat was hij niet. Bij terugkeer liep hij zelfs de kans opnieuw gevangen te worden. Een kwart eeuw lang zwierf hij wanhopig door Europa. Zijn smeekbrieven aan de prins bleven onbeantwoord. Na een schipbreuk spoelde Grotius als een wrak aan op de Duitse kust. Daar is hij in 1645 gestorven. Zijn lichaam werd overgebracht naar Delft, waar het een laatste rustplaats vond in de Nieuwe kerk, vlak naast de grafkelder der Oranjes. Tijdens zijn leven hielden de Oranjes Grotius op afstand. Maar na zijn dood zijn ze voorgoed verbonden: aan de keerzijde van het herdenkingstientje staat het portret van koningin Beatrix.