Koechlin verfrist de natuur met sereniteit

Concert: Leendert de Jonge, fluit. C. Koechlin: Les Chants de Nectaire. Gehoord: 19/11 Beauforthuis Austerlitz.

Als een koele bries in een frisse herfstmorgen, zo begon zondag 12 uur precies in het Beauforthuis in Austerlitz de langste compositie ooit voor fluitsolo geschreven. Om zes uur precies eindigde de dankprocessie van de laatste derde cyclus uit Charles Koechlins Les Chants de Nectaire (1944) en daarmee was de eerste integrale uitvoering een feit. Slechts delen waren eerder in druk verschenen en pas anderhalf jaar geleden kreeg Leendert de Jonge via het Koechlin-archief in Kassel de fotokopieën van driemaal 32 stukken in handen.

Koechlin (1867-1950) schreef in ongeveer zestig jaar tijd zo'n 350 composities die voor een belangrijk deel nog steeds niet zijn uitgegeven. Aan het eind van zijn leven wijdde hij zich hoofdzakelijk aan een elementaire muziek van lange monodieën in een vrije pulsering zonder maatstrepen en van een koele sereniteit, enigszins verwant aan het streven van zijn vriend Erik Satie, die zo'n paradijselijk puur Gebed der kinderen als derde deel uit de derde serie zeker had aangesproken.

Wat zou Koechlin, een natuurmens als geen ander en behalve componist en gezaghebbend theoreticus ook aquarellist en fotograaf, hebben genoten van deze uitvoering, waarbij men in de pauzes kon wandelen in de bosrijke omgeving van de Utrechtse Heuvelrug! Alleen het belendende pannekoekenrestaurant detoneerde, want van de sfeer van spek en luidruchtige vrolijkheid was deze aristocraat van de geest geheel vrij. Zijn melodieën vormen intiem dagboek, Koechlin doet geen concessie aan uiterlijk vertoon.

“Ik ben ervan overtuigd, dat de componisten, als ze meer gebruik zouden maken van het componeren van een melodie als basis (zonder zich daarbij te bekommeren over een harmonisatie), veel levendiger en belangrijker muziek zouden schrijven”, zo noteerde de componist in navolging van Berlioz. Dat hij zich in Les Chants de Nectaire inspireerde op Anatole France's roman La révolte des anges mag interessant zijn voor de structuur, van rijke melodieën “waarop trillers schitteren als diamanten en parels op fluweel” is geen sprake.

Ook worden de diverse stemmingsbeelden die in de roman de tuinman Nectaire aan zijn fluit ontlokt (“alsof hij sprak over vreugde en smart, denkend aan het dubbele gezicht van de aarde, en aan het verlangen dat de wereld schept”) nauwelijks gerealiseerd. Ingehouden kalmte overheerst, alleen in de tweede set, ditmaal naar Virgilius, permitteert Koechlin zich een iets grilliger en meer fluitistisch idiomatisch betoog, in de stijl van Roussels fluitstukken.

Leendert de Jonge trof perfect die statige sereniteit, waarvan wel is gezegd dat Debussy zó zou hebben gecomponeerd als hij langer had geleefd en zijn opera Chute de la maison Usher had kunnen voltooien. Een genuanceerd pianissimo overheerste in zachte toonvorming zonder tongaanzet, evocatief als het ruisen der bladeren en het druppelen van het water buiten, nectar voor de luisteraars, onder wie de kleinzoon van Koechlin.