Hoe moet het, een vogelvriend zijn?

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag, in de laatste aflevering van de cursus alledaagse vogels, leren we hoe met ze om te gaan.

Door welke normen laten wij ons in huidige tijdsgewricht leiden bij de omgang met vogels? U zult de cursusleiding niet horen beweren dat we in Nederland de luxe ongegeneerd gebruik te maken van de ruimte hebben verspeeld omdat we met te veel zijn. En dat een kwaad geweten bij natuurgebruik een lichte straf is voor die ongeremde aantalstoename. De kans dat u dan expres vogeltjes gaat doodslaan is groot. Nee - uw eigenbelang staat voorop bij deze strikt willekeurige richtlijnen.

De algemene omgang. Daarbij behoort men het tonen van persoonlijke belangstelling voor de ander te vermijden. Soms zie je bij de wandeling opeens een schuwe vogel ongeneerd dichtbij zitten. Het dier rekent erop dat het niet gezien is. Gun het die lol; als u stilstaat vliegt het op en is verdwenen. Beter is het door te lopen, onder het werpen van een besmuikte blik, en pas verderop halt te houden.

Vogels zijn goed in het mentaal doortrekken van rechte lijnen. Af en toe kijken ze op: iemand die rechtstreeks nadert schrikt ze af, en ze houden op met dat te doen wat nu net zo interessant was. Onder een schuine hoek benaderen werkt beter, met als richtpunt een plek ergens naast de vogel. En wat het kijken zelf betreft: weinig vogels zijn in uw hoofd geïnteresseerd. Of ze volgen de tijdsparende vuistregel dat een roofdier of mens meer gevaarlijks in de zin heeft wanneer er meer ogen aan te zien zijn - nul, één of twee. Het schuin afwenden van het hoofd maakt zeer nabije kleine vogels wel wat uit, het beleefd verleggen van de blikrichting nauwelijks.

Wat is de correcte kleding? Dagjesmensen pakken het beter aan dan echte natuurliefhebbers. Er lijkt een omslagpunt bereikt: dieren hebben door dat juist mensen die in luidruchtige kleuren aan komen lopen onschuldig zijn en niet aan jagers verwant. Zeer geruststellend is ook dat ze al van verre te zien zijn. Stille, groene of bruine natuurgenieters staan opeens vlak voor je neus en tillen dan op verdachte wijze zwarte dingen de lucht in.

Het juiste vervoermiddel. De gruwelijke waarheid is dat zeldzame vogels banger zijn voor u dan voor auto's. Iemand die zijn diesel walmende busje aan de waterkant parkeert krijgt ontzettend veel te zien. Maar wanneer u op natuurvriendelijk vervaardige schoenen aan komt stappen, vlucht het vogelvolk alle kanten op. Fietsers zijn weer acceptabeler dan wandelaars - zolang ze maar als een gek door blijven fietsen.

Helpen. Helemaal niets doen is een te verdedigen optie; het menselijk tekort wordt vooral duidelijk waar geholpen wordt. Maar in de stad is er helemaal niets mis met het aanbieden van schoon water. En in de winter is het wel erg makkelijk om van 'de natuur' te spreken wanneer er vogels zitten vastgevroren of staan te verhongeren bij een dichtgevroren wak. Als u ze helpt slaapt die natuur er geen nachtje minder om. Boekjes met richtlijnen zijn er volop.

Onderzoek. De wetenschap blijft verbazen: hier heerst een duidelijk etiquetteprobleem. Het ringen van vogels heeft zijn beste tijd gehad, maar de ringers zelf weigeren dat nog in te zien. Die normale pootring valt in het niet bij de op afstand afleesbare kunststof kokers aan de poten, verstrekt door universiteiten en vogelclubjes. Wilde ganzen en zwanen hebben de onhebbelijkheid dat ze hun poten verbergen in water of gras. Zij krijgen een felgekleurde, genummerde halsband. Wie zo'n dier aantreft in een natuurgebied wordt een beetje misselijk. Van overlevingskunstenaar in zijn eigen wereld is hij een speeltje geworden in de onze. Als zulk onderzoek beschermingswerk heel concreet dient, is het prachtig. Wanneer het om weetjes gaat niet.

Geboden en verboden. Die kunnen nooit het ouderwetse fatsoen vervangen. Neem de situatie van een plas of meer, in het winterhalfjaar druk bezocht als rustplaats door buitenlandse eenden, en door windsurfers in isolatiepakken. Onrustig verzamelen alle dieren zich in een uithoek van de plas. Uiteindelijk is er dan toch de sportheld die besluit die hoek ook in volle vaart mee te pakken. Honderden of zelfs meer dan duizend wintergasten gaan de lucht in, het lichaamsvet verbrandend waarop ze de winter moeten doorkomen. Ze verspillen hun energie aan de zondagse verveling van één man op een stuk geplastificeerd piepschuim. Zijn verdediging is: 'Mag toch?' en hij wijst op het alles regelende voorlichtingsbord over gebruik van het gebied. Inderdaad - de andere kant van de plas is wel windsurfer-vrij, dat is het officiële natuurhoekje. Die vogels zaten verkeerd. Ze weten zèlf niet hoe het hoort.

Speciale stadsrisico's: de goede bedoelingen. Stedelingen hebben meer moeite met het (laten) afmaken van hopeloos beschadigde of zieke vogels dan plattelanders. Gerommel met een vogel in een doosje ligt dan op de loer. En de permanent invalide geraakte vogel is in gevangenschap veel angst en weinig lol beschoren. Maar er zijn altijd uitzonderingen. Een vriendin raapte ooit een oudere spreeuw van straat die vleugellam was geraakt en bovendien een klompvoet had. Spriet raakte gaandeweg zeer verknocht aan zijn verzorgster, en volgde haar op enige achterstand - tik-pof, tik-pof - door kamers en gangen. Ook zong hij het hoogste lied wanneer de zon goed stond of er gezellig bezoek was. Van een goed maal kon hij zeer tevreden nagenieten. Kortom, Spriet was nog jarenlang spreeuw tussen de mensen. Hij verrichtte met zijn aanstekelijke levenslust zoveel missiewerk, dat zijn dood in brede kring werd betreurd.