Haaien loeren op de stadsprovincie

“Verbijsterd” was VVD-Kamerlid Remkes. “U hebt ons dus gewoon maar wat wijsgemaakt indertijd?”

Het relaas van de Rotterdamse wethouder Simons tijdens de hoorzitting over de stadsprovincie in de Tweede Kamer was op zijn minst opmerkelijk. Vlak voor de Rotterdammers in het referendum van juni over de stadsprovincie mochten stemmen had wethouder Kombrink hun namelijk verzekerd dat een opdeling van de stad in tien tot elf gemeenten jaarlijks zestig tot tachtig miljoen 'efficiencywinst' zou opleveren. De kiezers hechtten er weinig geloof aan. Terecht, zo bleek nu.

“Die tachtig miljoen winst had nogal een theoretisch karakter”, zei Simons vorige week. “Dat was meer een rekenkundige exercitie. Daarover bestond binnen het college geen overeenstemming.” Burgemeester Verbree van buurgemeente Capelle aan den IJssel zuchtte eens diep. “Ze zijn helemaal de kluts kwijt in Rotterdam. Ik verbaas me nergens meer over.”

Het valt ook niet mee. Een jaar lang verdedigde het Rotterdamse college van B en W de stadsprovincie met verve. Nu moet het met dezelfde passie het tegenovergestelde verdedigen. Dat de wethouders zichzelf daarbij tegenspreken hoeft niemand te “verbijsteren”. Al was het niet sjiek dat Simons zijn collega Kombrink zo te kijk zette dat er een speciaal persbericht aan te pas moest komen om de buitenwereld ervan te verzekeren dat er tussen de beide Hansen “absoluut geen meningsverschil” bestond.

Komende maanden velt Den Haag een oordeel over de stadsprovincie Rotterdam. De Kamer treft daarbij geen slagorde van eensgezinde Rijnmondbestuurders tegenover zich. Aan de ene kant staat Rotterdam, dat conform het referendumbesluit van geen opdeling meer wil weten. Tegenover Rotterdam staan de zeventien Rijnmondgemeenten, die het gewicht van een ongedeeld Rotterdam vrezen. En de Rotterdamse deelgemeenten, die blijven dromen van zelfstandigheid. Zij doen alsof er nooit een referendum is gehouden en zouden Rotterdam het liefst opdelen conform het oude plan. Het kabinet tracht in deze chaos nog een compromis te vinden. Gehandhaafd blijft een vooroorlogs Rotterdam met 400.000 inwoners, zo luidt de formule; alleen de randen van de stad worden er afgepeld.

De haaien cirkelen intussen hun rondjes rond de stadsprovincie en maken zich op voor de laatste aanval. Het Interprovinciaal Overleg, de lobbyclub van provincies, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringbeleid, bestuurskundigen die de stadsprovincie niet zo lang geleden nog een visionair plan vonden. Voor hen is het nu “vlees noch vis”, geen provincie, geen gemeente. Maar dat was oorspronkelijk juist de bedoeling geweest van een nieuw regiobestuur.

Hoe was het ook alweer, begin jaren negentig? Een regiobestuur voor de grote steden moest “van onderop” groeien. Een “blauwdruk” vanuit Den Haag diende vermeden te worden, opdat het model niet zou verzanden in tegenwerking van lokale bestuurders. Het laatste kabinetsvoorstel lijkt verdacht veel op een blauwdruk, die bovendien sporen van haast en improvisatie toont. En geen lokale bestuurder kan zich er in vinden. De topambtenaren en architecten van de stadsprovincie zijn druk bezig elders emplooi te vinden. Den Haag mag de stadsprovincie reanimeren, in de regio zelf lijkt zij morsdood.