Gevecht om de touwtjes van de sociale woningbouw

In de volkshuisvestingsstrijd die in de politiek woedt gaat het niet alleen om macht, maar ook om ideologie. Hoofdpunt vormt de vraag hoe ver de overheid zich uit de sociale huursector (woningen voor de laagstbetaalden) mag terugtrekken.

Nico van Velzen geldt als een machtig man. Hij is algemeen directeur van de Nationale Woningraad (NWR). Deze grootste van de twee overkoepelende organisaties van woningbouwcorporaties trekt aan vele touwtjes. Tot ergernis van Adri Duivesteijn, sinds 1994 Tweede-Kamerlid en eerder wethouder in Den Haag. Hij is juist de landspolitiek ingegaan om aan dezelfde touwtjes te kunnen trekken.

Van Velzen en Duivesteijn zijn beiden lid van de PvdA en koesteren een passie voor de sociale volkshuisvesting. Daarmee zijn hun belangrijkste overeenkomsten genoemd. Meer in het oog springend is het gevecht waarin ze verwikkeld zijn. Dat is: wie er het hardst aan hetzelfde touw kan trekken. Dat touw bestaat, metaforisch, uit de staatssecretaris van volkshuisvesting, de D66'er Dick Tommel. De Tweede Kamer voert de laatste tijd veel discussies met deze bewindsman. De vraag is wie het eigenlijk voor het zeggen heeft als het gaat om de woningcorporaties, de grootste verhuurders van Nederland.

Een strijd om de macht dus. Maar ook een ideologische twist met als centrale vraag hoe ver de rijksoverheid zich kan terugtrekken van de grondwettelijke taak van de volkshuisvesting, in het bijzonder de sociale huursector - de woningen voor de laagstbetaalden. In welke mate kan die taak worden overgedragen aan maatschappelijke organisaties waarop politieke controle moeilijker is? De discussies daarover worden niet louter in parlementaire bewoordingen gevoerd. “Als Adri Duivesteijn beweert dat woningcorporaties a-sociaal zijn”, zegt Van Velzen geïrriteerd, “dan noem ik dat stemmingmakerij.”

Het debat over de ordening in de sociale volkshuisvesting is opgelaaid, na jaren van betrekkelijke rust en consensus. In de vorige kabinetsperiodes werkte de toenmalige staatssecretaris Heerma stug en gestaag aan de reorganisaties.

'Stille revolutie' was de bijnaam van deze stelselherziening. Omdat het CDA achtereenvolgens met de VVD en met de PvdA regeerde, werd de omwenteling in de Tweede Kamer breed gedragen. Liberalisering, verzelfstandiging en decentralisatie zijn de belangrijkste kenmerken van de nieuwe ordening. Nu de stelselherziening in de finale fase is gekomen, is er in elk geval één participant die de score alsnog een ander aanzien wil geven: Adri Duivesteijn. Hij vindt dat de PvdA-fractie zich onder het vorige kabinet te veel door Heerma op sleeptouw heeft laten nemen.

Omdat hij de wijzigingen in het stelsel verbindt met de zorg die de PvdA als vanouds wenst uit te stralen voor de lager betaalden, in dit geval huurders, kan Duivesteijn rekenen op adhesie binnen de huidige fractie. “Ik dacht eerst dat het om een persoonlijke hobby van Adri ging”, zegt het Tweede-Kamerlid Pieter Jan Biesheuvel (CDA). “Maar ik heb me vergist.” Tommel heeft terdege rekening te houden met de wensen van de PvdA, de grootste regeringsfractie. Het liefst zou hij doorgaan op de route die Heerma had uitgestippeld en het traject zonder omwegen voltooien. Duivesteijn is de man die de obstakels opwerpt. Dat heeft hem een tere verstandhouding met Tommel opgeleverd. De bewindsman kan meer rekenen op de steun van de fractie waarvan zijn voorganger tegenwoordig de leider is: oppositiepartij CDA.

Biesheuvel herkent veel van de CDA-opvattingen in het bestuurlijke model dat voor de sociale volkshuisvesting is ontwikkeld. Eigenlijk, bevestigt hij, is dat de manier waarop zijn partij Nederland wil organiseren. “Als CDA'er heb je het ideaal dat je verantwoordelijkheid geeft aan maatschappelijke organisaties en tegelijk de overheid blijft aanspreken op haar grondwettelijke taken. Ik word daarin bevestigd als ik de drive zie van corporatiebestuurders. Ik geloof in een samenleving waarin mensen meer doen dan opkomen voor hun individuele belang.” Het is een kwestie van geloof en vertrouwen in het maatschappelijk middenveld. Als het om de woningkoepels gaat, is dat bij Duivesteijn nauwelijks te ontdekken. “Er is sprake van een ongezonde machtsconcentratie bij de koepels. Zij willen alle instituties beheersen. Ze monopoliseren de sociale volkshuisvesting.”

De woningbouwkoepels ergeren zich dusdanig aan dergelijke uitlatingen dat ze volgens het Kamerlid Hans Jeekel van D66 ten onrechte de politiek niet meer vertrouwen. In het blad Corporatiemagazine van de tweede koepelorganisatie, het NCIV (Nederlands Christelijk Instituut Volkshuisvesting), zegt hij over deze argwaan: “Dan denk ik: mmwàààhh. Ik vind dat de koepels soms net iets te zwaar weer veronderstellen en ook net iets te veel politici de maat nemen in de zin van: weten jullie waar we mee bezig zijn?” Jeekel geeft toe dat zijn partij “lange tijd niet erg gecharmeerd” is geweest van het maatschappelijk middenveld. Dat is veranderd. “We zijn tot de conclusie gekomen dat een middenveld heel erg de moeite waard kan zijn.”

Kom bij NWR-directeur Van Velzen niet aan met de stelling dat hij een machtig man is. “Ik vind het een schijndiscussie”, zegt hij. “Is Johan Stekelenburg machtig, omdat de vakbeweging in zoveel gremia zit? Macht is de mogelijkheid iemand een bepaald gedrag af te dwingen. Die macht hebben wij niet.” Bijna alle 850 woningbouwverenigingen en -stichtingen zijn bij de NWR of het NCIV aangesloten. Ze beheren samen 2,4 miljoen woningen. De tijd dat de koepels louter belangenorganisaties voor de corporaties waren, is voorbij. De oorzaak is dat de financiële banden die vroeger rechtstreeks tussen de woningcorporaties en het ministerie van volkshuisvesting bestonden, allengs zijn verdwenen. Als het rijk al woningbouw subsidieert, gebeurt dat slechts mondjesmaat, noodlijdende corporaties hoeven niet meer om steun bij het departement aan te kloppen en voor garanties op leningen moeten de woningbouwverenigingen ook al niet meer in Den Haag zijn.

Daarvoor zijn in de loop der jaren andere instituties gekomen. De corporaties moeten voor hun bouwplannen op de particuliere markt geld lenen. NWR en NCIV hebben in de jaren tachtig het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) opgericht. Als dit fonds garant staat voor een lening, brengt een bank de bewuste corporatie een lagere rente in rekening. Dat is zeker ook in het belang van de huurder, rekent Van Velzen voor. “Of je tegen zeven procent kunt lenen of tegen acht procent, dat maakt voor een nieuwbouwwoning 100 gulden aan huur per maand verschil.” Hij relativeert de machtspositie van het WSW, dat door de koepels wordt bestuurd. “Het is gewoon een onderlinge waarborgmaatschappij.” Corporaties kunnen ook elders terecht.

Vroeger kon een corporatie die in nood was geraakt bij het ministerie aankloppen, dat op de begroting daarvoor 80 miljoen gulden had gereserveerd. Nu moet zo'n corporatie bij het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) zijn. Dat is weliswaar door de staatssecretaris ingesteld, maar in het bestuur hebben de twee koepels een royale meerderheid. Van Velzen zit zowel in het bestuur van het WSW als van het CFV, dat slechts onder strikte voorwaarden bereid is een noodlijdende corporatie financieel te steunen.

Het Tweede-Kamerlid Pieter Hofstra van de VVD behoort tot degenen die na alle reorganisaties in de sociale huisvesting vooral rust bepleiten om het nieuwe stelsel een kans te geven. Hernieuwd centralisme is wat hem betreft uit den boze. “Dat geeft alleen maar een papierwinkel.” Maar hij kritiseert het CFV. “Dat is wel met erg weinig gevallen bezig. Dit moet anders georganiseerd worden.” Hofstra spreekt van een “old boys network” in de volkshuisvesting. Hij pleit voor een onafhankelijk financieel toezichtsorgaan boven de corporaties, waarin voor de boys geen plaats is.

Chiel Rottier, directeur van de Woonbond, de belangenorganisatie van huurders, herkent de karakterising van Hofstra. “Er is een aantal personen met machtsposities en veel invloed. De koepels en met name de NWR zitten op elke positie in de volkshuisvesting die denkbaar is. Zij zien het als een machtsspel, het zijn heel centralistische organisaties.”

NWR en NCIV besturen de financiële fondsen. Ze verzorgen voor de corporaties opleidingen, regelen pensioenen, sluiten als werkgevers CAO's af, beschikken over een computercentrum en een databank, vaardigen consulenten af wanneer zich ergens problemen voordoen en zijn de gesprekspartners van 'Den Haag'. Ook hebben ze een belangrijke invloed op de vraag welke corporaties in Nederland mogen opereren. Over deze 'toelating' (of de intrekking ervan) gaat de staatssecretaris, maar hij laat zich adviseren door de Algemene Toelatingscommissie Woningcorporaties, die door de koepels wordt bemand.

De vraag is: zijn de corporaties nog wel de baas over de koepels of zijn de koepels de baas van de corporaties? Van Velzen verwijst naar zijn verenigingsraad die het uiteindelijk voor het zeggen heeft bij de NWR.

Woonbonddirecteur Rottier vindt dat de corporaties en hun koepels de huurders veel te weinig als gesprekspartner zien staan. “NWR en NCIV hebben gejeremieerd bij ons streven naar meer invloed voor huurders. Ze weigeren te investeren in huurdersorganisaties. Zeker 20 procent van de corporaties laat het er lelijk bij zitten. Ze worden door hun koepels niet aangespoord.”

De machtsvraag is niet los te zien van waar het gewoonlijk omgaat: het geld. De corporaties beschikken samen over miljarden aan reserves. Het ministerie is bezig uit te rekenen hoeveel precies. Dit geld is uit huren en subsidies opgebouwd. Politici als Duivesteijn kijken er begerig naar. Verplicht rijke corporaties via een vereveningsfonds arme corporaties uit de nood te halen, is zijn stelling. En gebruik een eventueel overschot om de huren te matigen.

Een verplichte verevening werkt alleen maar averechts, voorspelt Van Velzen, gesteund door Tommel. De vrees is dat corporaties onnodig gaan investeren om te voorkomen dat ze hun geld aan andere instellingen kwijtraken. “Het geld zal als sneeuw voor de zon verdwijnen”, voorspelt de NWR-directeur. Alleen op vrijwillige basis is iets mogelijk, denken de koepels, die een systeem hebben bedacht waarbij de ene corporatie geld leent aan de ander.

Maar van wie zijn die reserves nu? Van 'Den Haag' of de corporaties? “Het is natuurlijk maatschappelijk kapitaal”, erkent Van Velzen. “Mijn stelling is dat corporaties dat in goed overleg met de gemeenten heel goed kunnen besteden.” Er wacht nog een immense opgave: het herstel van de na-oorlogse woningvoorraad, de snel uit de grond gestampte woningen van de jaren vijftig en zestig. De corporaties denken er een centrale rol bij spelen. Een taak die meer bij ze past dan de dubieuze extremiteiten die de naam van de sociale huursector geen goed hebben gedaan. Zoals de corporatie die in de voormalige DDR ging bouwen of de woningbouwverenigingen die bij financiële beleggingen het schip ingingen.

Van Velzen vertelt hoe hij laatst een delegatie uit Zweden heeft proberen uit te leggen hoe dat toch zit, de rol de politiek en van het maatschappelijk middenveld in Nederland. “Ze begrepen er niets van”, zegt hij lachend.