Franz Schubert

Schubert: Sonatas for violin and fortepiano (Opus 111, OPS 30-126)

Italië bekommerde zich in het verleden niet veel om de historisch verantwoorde uitvoeringspraktijk. Je kunt dat positief interpreteren, door te zeggen dat de uitvoeringstraditie in Italië geen opvallende historische breuk kent en dat er niets 'authentieker' is dan de muziek van Palestrina of Monteverdi, zoals die al eeuwen in Italiaanse kerken wordt uitgevoerd. Maar je kunt net zo goed zeggen dat Italiaanse musici veel te gemakzuchtig waren en uiteindelijk volstrekt voorbij gingen aan de intentie van de componisten.

De laatste jaren is de situatie echter grondig gewijzigd. Vooral in de koorpraktijk laten tegenwoordig verschillende gezelschappen horen hoe hun Monteverdi, Frescobaldi en al die anderen 'verantwoord' zouden moeten klinken. De lichtheid, de speelsheid - als het in dit verband niet zo'n beladen begrip was zou je zeggen: het belcanto - druipt van de uitvoeringen af.

Dat geldt ook voor sommige 'authentieke' orkesten. Europa Galante, het gezelschap van violist Fabio Biondi, speelt Vivaldi's Quattro Stagioni met veel flair en een duidelijk Italiaanse tongval.

Dat Biondi echter ook noordelijker muziek met het juiste temperament weet te spelen, bewijst hij in de vioolsonates van Schubert, die hij opnam met fortepianiste Olga Tverskaya. Het zijn felle uitvoeringen, die op de prachtig verzorgde opname goed tot hun recht komen. De klank van Biondi's viool (een kopie van een Gagliano uit 1740) en van Tverskaya's fortepiano (een Graf uit ongeveer 1820) is bij vlagen robuust, maar meestal overheerst het dansante karakter.