Dienstplicht (1)

Een motie, waarin werd voorgesteld een ieder die (uitzicht op) een baan had niet meer in dienst op te roepen, werd met een nipte meerderheid door de Tweede Kamer verworpen (NRC Handelsblad, 16 november). De onvoorstelbare gemakzucht waarmee een (schijnbaar te) kleine groep Nederlanders hiermee onevenredig wordt benadeeld ten opzichte van hun leeftijdsgenoten tart elke verbeelding.

Een door Berenschot uitgevoerd onderzoek eerder dit jaar toonde aan dat de dienstplicht voor elke opgeroepene een gemiddelde schadepost van 80.000 gulden oplevert. Een door de dienstplichtigen-vakbond VVDM aangespannen kort geding waarin de willekeur van het oproepen van een op de twaalf jongens centraal stond, haalde niets uit. Wordt met de afwijzing van de motie en het uitblijven van een maatschappelijke discussie omtrent dit onderwerp de noodzaak van de, nu in de Eerste Kamer behandelde, mogelijke invoering van een referendum niet extra pregnant? Het lijkt er immers sterk op dat het VVD-bolwerk dat Defensie is (zij levert de minister, de staatssecretaris, de voorzitter van de Vaste Kamercommissie en tot slot is de bevelhebber landstrijdkrachten Couzy als actief VVD-lid bekend) de meer billijke, door het Nederlandse volk nagestreefde, behandeling van de laatste dienstplichtigen blokkeert. Hoe ironisch is het om juist de VVD in de Eerste Kamer de grootste bezwaren te horen uiten bij de invoering van een referendum. Het is juist voor onderwerpen als deze, waarin directe maatschappelijke onbillijkheden aan de orde zijn, dat een referendum een welkome aanvulling kan zijn op de minder wenselijke uitvloeisels van ons democratisch politiek systeem.