De VVD: solide en slim

Volgens een oude gewoonte luncht president Duisenberg van De Nederlandsche Bank iedere week met zijn enige aandeelhouder, de minister van financiën. Nu sprak minister Zalm heel onlangs de wens uit dat het Nederlandse financieringstekort zo snel mogelijk verder daalt naar één procent. Dat standpunt is heel respectabel, maar wel controversieel; de PvdA, bijvoorbeeld, vindt op dit moment lagere belastingen ten minste even belangrijk en misschien nòg nuttiger voor de werkgelegenheid. Vorige week mengde Duisenberg zich in het debat door in navolging van Zalm eveneens luid en helder te verklaren dat inderdaad het financieringstekort zo snel mogelijk terug moet van de huidige drie procent naar een minuscule één procent.

Deze kleine opvoering voor twee heren past in een goede financiële traditie: de minister van financiën heeft een solide standpunt, hij luncht, en ongeveer tegelijkertijd heeft ook de president van De Nederlandsche Bank een even solide visie. Misschien is minister Melkert van sociale zaken en werkgelegenheid wel eens een tikkeltje jaloers dat hij niet ook grootaandeelhouder is in een als voortreffelijk bekend staande NV waarvan de onafhankelijke president-directeur bij gelegenheid een goed, ondersteunend geluid voor zijn beleid kan laten horen. Hoe dit ook zij, Duisenberg dringt aan op nog eens tien miljard extra bezuinigingen bij de Nederlandse overheid, zodat ons jaarlijks financieringstekort praktisch geheel verdwijnt en het verhoudingsgetal tussen staatsschuld en nationale economie sneller kan dalen naar de 60 procent-norm uit het Verdrag van Maastricht.

Op zich zal ieder verstandig mens die wens delen want het is inderdaad zo, dat de Staat der Nederlanden wel erg veel heeft geleend, vooral tijdens de ministers Van der Stee en Ruding, en dat de schuldenberg die wij nalaten aan onze kinderen nu al oneerlijk groot is. Volgende generaties moeten hun eigen problemen oplossen, bijvoorbeeld voor wat betreft de financiële kosten van de vergrijzing en de onvermijdelijk hogere uitgaven voor een gezond en zuiver milieu, en dan is het niet goed wanneer onze nazaten ook nog zo veel extra belasting moeten betalen vanwege rente op de door ons nagelaten staatsschuld.

Maar heeft Duisenberg wel onbetwist gelijk met zijn advies? Vreemd genoeg verbond hij zijn uitspraak met de voorspelling dat niet alleen Duitsland, Luxemburg en Nederland, maar ook Frankrijk, België, Oostenrijk en Ierland zeker mee mogen doen met de ene munt, als die er in 1999 komt. Dat is dus inclusief België, waar de staatsschuld meer dan anderhalf maal zo groot is als bij ons, en waar bovendien nog steeds een automatische prijscompensatie geldt voor lonen en salarissen. Als we dan toch onze Belgische buren mogen feliciteren met Duisenbergs optimistische verzekering, dan lijkt het niet nodig om vreselijk nerveus te zijn over het precieze tempo waarin de Nederlandse staatsschuldquote op weg is naar de bekende zestig procent.

Het is een beetje zelfgenoegzaam om Nederland te vergelijken met België, waarvan iedereen weet dat de staatsschuld er veel hoger is, maar zelfs in vergelijking met Duitsland en Frankrijk ziet de Nederlandse situatie er niet zo slecht uit. Recent publiceerden de economen Bovenberg en Petersen een gedetailleerde internationale vergelijking van de opbouw van de staatsschuld. Hun onderzoek bevestigde wat veel professionele beleggers al weten: in de Verenigde Staten, Engeland en Nederland is de financiële dekking tegen de toekomstige vergrijzing van de bevolking zó veel beter dan bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, dat het helemaal niet overdreven is om daar rekening mee te houden bij het beoordelen van de cijfers voor de staatsschuld. Volgens Bovenberg en Petersen hebben Amerika en Engeland een bedrag ter grote van ongeveer 15 procent van het BBP terzijde gezet als reservering voor pensioenen van de ambtenaren, en Nederland maar liefst 27 procent. Duitsland en Frankrijk hebben verzuimd om zo'n voorziening te treffen en moeten dus pensioenen van de ambtenaren tot in de verre toekomst betalen uit jaarlijks belastinggeld.

Nu moet Nederland dat natuurlijk ook, want de Staat der Nederlanden kan alleen rente betalen op de gigantische berg staatsschuld in handen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, wanneer de werkende belastingbetalers ieder jaar voldoende belastinggeld afdragen aan de minister van financiën. Maar het blijft economisch zinvol om de staatsschuld in Amerika, Engeland en Nederland te corrigeren voor de veel betere dekking van de ambtenarenpensioenen. Dan voldoet Nederland in één pennestreek aan het Verdrag van Maastricht, met een staatsschuldquote van 51 procent, lager dan in Duitsland en Frankrijk.

Bovenberg en Petersen brengen nog een tweede correctie aan die te maken heeft met de bij ons zo populaire lijfrente- polissen. Burgers die nú zo'n polis kopen, betalen in het jaar van aanschaf minder belasting, maar zijn later wel inkomstenbelasting verschuldigd over de dan ingegane lijfrente. Daar ligt een bron van toekomstige belastingopbrengsten die afwezig zou zijn wanneer burgers gewoon zouden sparen bij de bank of in een aandelenfonds. Dan is immers de besparing niet aftrekbaar, maar komt het gespaarde kapitaal straks vrij beschikbaar voor de oude dag. Bovenberg en Petersen schatten de extra toekomstige belastingontvangsten conservatief op nog eens vijf procent van het Nederlandse BBP.

Welbeschouwd is Nederland dus financieel solider dan Duitsland en Frankrijk met hun zoveel gammeler voorzorg tegen de toekomstige vergrijzing. Daarom kunnen wij de afweging tussen een kleiner tekort en lagere belastingtarieven geheel laten afhangen van binnenlandse overwegingen, zolang het tekort maar onder de Maastricht-norm van drie procent blijft. Misschien was het ook zo'n binnenlandse politieke calculatie die mede heeft geleid tot het standpunt van Zalm, waarbij Duisenberg zich nu heeft aangesloten. Hoe meer in 1996 en 1997 alle besparingen bij de overheid neerslaan in een lager financieringstekort, des te meer ruimte is er in de verkiezingscampagne van 1998 om vrolijk te tamboereren op het thema van lagere belastingen. Dan kan de VVD eindelijk met goed fatsoen campagne voeren voor een verlaging van het gehate toptarief in de inkomstenbelasting van 60 procent naar 50 procent, en tegelijkertijd voor lagere tarieven in de eerste en tweede schijf. Uiteraard kunnen alle andere politieke partijen evenzeer gebruik maken van de financiële ruimte die er over twee jaar zou moeten zijn voor lagere belastingen, maar het thema 'lagere belastingtarieven' komt Bolkestein makkelijker over de wal van zijn tanden dan PvdA-leider Kok.

Als mijn hypothese over de VVD-strategie correct is, hoeft niemand dat die partij kwalijk te nemen. In de sfeer van de overheidsfinanciën is altijd kwaliteitscontrole op de uitgaven het belangrijkst: de overheid moet zich bij de uitgaven beperken tot wat ècht nuttig en nodig is. Daarna is het geen zaak van levensbelang in welk tempo nu precies enerzijds het financieringstekort daalt en anderzijds de tarieven in de belastingen naar beneden kunnen, en VVD en PvdA moeten daarover eerlijk en open debatteren. De VVD wil een bufferzone in het financieringstekort als reserve tegen toekomstige tegenslagen, en dat is een heel goede zaak. De PvdA wil in de eerste plaats lagere tarieven in belastingen en premies en vindt het zuur wanneer de werklozen daar nog eens drie jaar op moeten wachten. Twee respectabele standpunten, maar laten we het debat vooral niet vertroebelen met bangmakerij of Nederland wel mee mag doen met de ene munt als die er al komt. Wie dat gelooft, loop wel erg vlug aan de leiband van één grote politieke partij die zich ongetwijfeld inzet voor het nationaal belang, maar het in dit geval zo schitterend ziet sporen met het eigen VVD-gewin.