Boeiende beelden over onafhankelijk Suriname

De Verwelkte Ruiker, Ned.3, 21.03u.

Moet een produktie over Suriname bij voorkeur een titel hebben die klinkt als een zucht in een donkere kerker? Je zou het soms denken. De VPRO zond eerder dit jaar een 'zoet-zuur' reisverslag uit van Anil Ramdas onder de titel 'Wel de snack, maar niet de saus', en vanavond wordt op televisie de documentaire 'De Verwelkte Ruiker' vertoond. Kapot, verwelkt, geen saus - als er maar iets van teloorgang, vergane glorie, of een andere het-komt-nooit-meer-goed beeldspraak in de titel zit. Een tropische mislukking in Hollandse melkchocola, zoiets.

De deplorabele toestand van het land geeft daartoe natuurlijk alle aanleiding, daar niet van. Het economische en sociale verval van het voormalige rijksdeel is evident, met elke KLM-vlucht vol emigrés die op Schiphol neerstrijkt. Maar irritant wordt de meewarigheid in zulke reportages op den duur wel. Weemoed kan per slot van rekening ook dienen als superieure camouflage voor gebrek aan kennis van zaken, of voor luiheid om die kennis op te doen. Bovendien, je wilt ook wel eens horen hoe het in Suriname ànders kan, en of er ook nog wel eens wat goed gaat.

De documentaire die de RVU vanavond uitzendt doet een dappere, maar wat halfslachtige poging om ook die keerzijde van de malaise te tonen. Er wordt olie geboord, zien we, en sommige Surinamers hebben de moed nog niet verloren. Zoals de arbeider in West-Suriname die na het roestige echec van de 'spoorlijn naar nergens', uit armoede boer werd en daar steeds meer plezier in kreeg. Maar aan het slot verrijst toch weer de onvermijdelijke vuilnisbelt met rondscharrelende lompenkinderen.

Het hart van deze documentaire bestaat, gelukkig, uit een zakelijke en interessante reconstructie van de gang van zaken rond de onafhankelijkheid in 1975. Archiefbeelden worden afgewisseld met interviews met enkele hoofdrolspelers: de Surinaamse premier Arron, die het land bijna letterlijk het Koninkrijk uit sleepte, de hindoestaanse voorman Lachmon, die zich met hand en tand verzette en zich nog aan de deurpost probeerde vast te houden, en de Nederlandse minister Pronk, die zijn vertrekkende gasten een flinke zak geld meegaf voor onderweg. “Velen van ons wensten dat zij het wensten”, zegt Pronk nu, over de Nederlandse visie op de onafhankelijkheid.

Memorabele uitspraken en beelden biedt de fraai gefotografeerde documentaire genoeg. “Ga niet wachten op de overheid”, zou Arron, gefilmd in zijn moestuin, tegen het volk willen zeggen: steek zelf de handen uit de mouwen. Drees junior, hardnekkig criticus van het Nederlandse Suriname-beleid, mag zich nog eens opwinden over het verstrekken van bijstandsuitkeringen aan Surinamers in Nederland na 1975. Pronk blijkt er nog steeds van overtuigd dat de Surinamers hun etnische tegenstellingen opspeelden om “er zoveel mogelijk uit te slepen”. Arron spreekt, met provocerende nonchalance, van “een beetje strubbelingen” en “een paar branden”.

Moeizamer is, zeker voor de niet-ingewijde kijker, dat nogal wat achtergrondkennis wordt verondersteld. In de interviews komt veel aan de orde, maar wordt weinig geduid of uitgelegd. Opmerkelijk is ook de afwezigheid van een aantal hoofdrolspelers, onder wie de creoolse advocaat Eddy Bruma die aan de wieg stond van het Surinaamse nationalisme, en jaren later een politieke come back zou maken onder het bewind van de revolutionair Desi Bouterse. Bruma ging niet in op het verzoek tot een interview. Wie bij de aftiteling nog eens aan de vuilnisbelt denkt, kan hem niet helemaal ongelijk geven.