Zwanezang

Onoverkomelijke moeilijkheden doen zich voor in de tuin, iedere stap brengt nieuwe dilemma's.

Een ervan, pas vorige week ontdekt, is dat mijn bamboe in bloei staat. Het is de soort die evenveel namen heeft gehad als de figuur in The Pursuit of Love van Nancy Mitford die 'the Bolter' wordt genoemd en die wel acht keer hertrouwd is. Niemand is er helemaal zeker van hoe ze nu heet en zo is het ook met deze bamboe. Gedurende lange tijd was het Arundinaria murielae en op het ogenblik is zij tamelijk stabiel als Fargesia murieliae. Het is, bij welke naam dan ook, de hoge elegante soort die vaak voor heggen wordt gebruikt. Ik zal nu eindelijk aan den lijve ondervinden of het waar is dat bamboe afsterft na gebloeid te hebben. Haar nut als heg wordt dan problematisch: ik verheug me er niet op daar gaten in te zien vallen.

Over het bloeien van bamboe schreef ik al eens eerder (Buitenlust 123, mei 1994), en ik deed er tot mijn schande nogal luchthartig over. Dat was voor de mijne er ook mee begon: die van een kennis waren begonnen te bloeien; ze zijn nog niet dood, maar ook alle nieuwe scheuten bloeien. Het interessante is dat ik mijn bamboe sedert dat voorval in de gaten heb gehouden; ze staan naast het fietsenhok dus het is moeilijk ze niet te zien. Maar de bloeiende takken bereikten een hoogte van wel twee meter voor ik ze opmerkte. Die films van David Attenborough waarop je planten ziet groeien (de meest indrukwekkende was een braam, uitgroeiend en om zich heen tastend als de armen van een inktvis) zijn hoogst misleidend: in werkelijkheid zie je de groei niet, alleen het resultaat. De ene dag een onschuldige bamboesteel, de volgende dag een bloeiende.

In zekere zin zou het niet zo'n ramp zijn als het inderdaad haar zwanezang was. Niet dat ik niet aan ze gehecht ben, ze zijn heel mooi en iedere keer dat ik naar ze kijk komen mij de woorden 'Seven Sages of the Bamboo Grove' in gedachten (dat waren derde-eeuwse Chinese dichters), maar ik begin ruimte tekort te komen in mijn tuin. Drie hydrangea's staan nu in de wachtkamer te dringen, een slordig rijtje waar ik graag wat mee gedaan zou willen hebben voor de winter intreedt.

De eerste in volgorde van belangrijkheid is de familie-hydrangea, de afstammeling van die uit mijn overgrootvaders tuin, maar die durf ik nu niet te planten, ze moet wachten tot het voorjaar. Dan is er een wonderbaarlijk mooie genaamd Hydrangea paniculata 'Kyushu'. Deze kocht ik min of meer per ongeluk. Het was een van die pijnlijke momenten dat je in een tuincentrum staat en je afvraagt wat je nu in vredesnaam ook weer van plan was te kopen; bij niets van wat je ziet denk je: o ja, dat was het, en tenslotte koop je iets heel anders waarvoor geen ruimte is in de tuin. Hoe het ook zij, daar was deze aanlokkelijke hydrangea, met drie bloemtrossen. Deze zijn wit, kegelvomig en voor het grootste deel opgebouwd uit kleine vruchtbare bloempjes, maar met een paar grote steriele er nogal artistiek omheen gedrapeerd. Ik kocht haar en werd kort daarop beloond met de aanblik van een paar struiken in iemands tuin in volle bloei, een schitterend gezicht.

Vreemd genoeg wordt zij niet vermeld in Hydrangeas: Species and Cultivars van Corinne Mallet (Varengeville, Centre d'Art Floral, 1992), hoewel daarin wel andere cultivars van H. paniculata worden beschreven. Mijn derde hydrangea is daar één van: H. paniculata 'Grandiflora'. Hier verbergen de steriele bloemen de vruchtbare volkomen; ook worden zij, volgens het boek, grijsroze aan het eind van het bloeiseizoen. Er is een foto die deze verkleuring toont en die iemand die haar ziet onmiddellijk de plant zou doen kopen, ware het niet dat bijna alle foto's in dat boek dat effect hebben.

'Grandiflora' is een echte Japanse cultivar die heel populair was in de tijd van Von Siebold. Hij was het die haar omstreeks 1867 in Europa introduceerde, schrijft Corinne Mallet (maar Siebold stierf in 1861 dus het klopt niet helemaal), 'waar zij onmiddellijk een groot succes werd; zij wordt al genoemd (heel gunstig) in de Revue horticole van 1868.' De Grandiflora kan een hoogte van 3 meter bereiken. Volgens Corinne Mallet is H. paniculata de meest droogte-verdragende van alle hydrangea's: ik hoop dat 't waar is want ik heb nog een paar andere soorten (cultivars van H. serrata en H.macrophylla) die zich bij de geringste aanleiding dramatisch laten hangen. Ook hoeft zij niet gesnoeid te worden, hoewel je een volwassen plant tot de grond kunt terugsnoeien om extra grote bloemen te krijgen.

Het dilemma is in dit geval dat er, om ruimte te maken voor deze twee, iets anders weg moet (de bamboe?) - of het gazon moet worden aangesproken. En volgend voorjaar komt het volgende dilemma, aannemend dat alles goed gaat deze winter, namelijk waar ik de Melianthus major zal neerzetten. Christopher Lloyd beschrijft haar (in Foliage Plants) als 'arguably the most beautiful near-hardy foliage plant that we can grow.' Alleen slaat dat 'we' helaas op 'wij in de milde regionen van Zuid Engeland', of anders wel Ierland, waar ik eens een Melianthus heb gezien van bijna twee meter hoog. Dat is hier allemaal minder vanzelfsprekend, en de plant is niet makkelijk te vinden bovendien. De mijne is begonnen als een stekje van iemand die er een in een verhoogd bed heeft, pal op het Zuiden, niet ver van een Magnolia grandiflora - nog zo een die aan milde regionen de voorkeur geeft.

Deze Melianthus is opvallend mooi: zij heeft grijsgroene bladeren, getand en gevouwen als papier geknipt met een kartelschaar. Zij ziet er ook, ik durf het haast niet op te schrijven, tijdelijk uit. Natuurlijk is dat alleen maar in het oog van de toeschouwer, die geen vertrouwen heeft dat ooit iets het in zijn tuin zal uithouden. Maar laten we haar eerst maar eens de winter zien door te loodsen: dat is in elk geval één dilemma dat kan wachten tot volgend voorjaar. En verder maar afwachten om te zien of de bloei van de bamboe inderdaad haar lijkwade is.