Zo gezellig is een dodenakker

ERNEST KURPERSHOEK en HETTY VAN DEN BERG: Zorgvlied. De geschiedenis van een begraafplaats

120 blz., geïll., D'Arts 1995, ƒ 49,95

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan zijn er vandaag en morgen open dagen op Zorgvlied, Amsteldijk 273, Amsterdam. Tussen 11.00 en 15.00 uur worden rondleidingen gegeven met demonstraties grafdelven, werking van een graflift, afnemen en herplaatsen van grafstenen, en het snoeien van monumentale bomen. In de aula is de tentoonstelling 'Begraven in het verleden' te zien en een documentaire over Zorgvlied.

Vroeger, toen de mensen nog gewoon doodgingen, was er rouw en rouwtijd. Je had rouwgebruiken en -rituelen. Daarna was er een hele tijd niets, behalve dan vlot en efficiënt uitgevoerde crematies en voorgeprogrammeerde teraardebestellingen. Zo aan het eind van de jaren zeventig daagde het besef dat we rond de dood iets waren kwijtgeraakt: niet de gevoelens van rouw, maar wel de 'verwerking' ervan en het 'omgaan' ermee. Het woord rouwproces deed zijn intrede: in de tiende druk van Van Dale uit 1976 nog niet te vinden, maar al wel in de elfde druk uit 1984. Rouw vroeg nu om een proces, dus om tijd en rituelen en vooral om een plek - en daarvoor leent een begrafenis zich nu eenmaal beter dan een crematie.

Het graf leeft weer, zou je kunnen zeggen. Of, zoals een begrafenisondernemer vorig jaar tevreden vaststelde: 'De dood is weer in beweging'. De uitspraak is te vinden in Tot in eeuwigheid, een verzameling portretten van luisterrijke begraafplaatsen van Sietse van der Hoek uit 1994. Niet alleen de dood, maar ook de markt voor het dodenboek is in beweging. Binnenkort verschijnt bij de Walburg Pers Onder de groene zoden, een boek over 'de persoonlijke uitvaart', en bij De Arbeiderspers Dodenakkers, een volledig overzicht van alle begraafplaatsen in Nederland. Intussen kan men op tv de Teleac-cursus Begraven en begraafplaatsen volgen, met cursusboek. De fijnproever kan alvast ronddwalen in de juist deze week verschenen monografie over een van de bekendste en mooiste begraafplaatsen van Nederland: Zorgvlied.

Ernest Kurpershoek en Hetty van den Berg schreven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan een korte geschiedenis van deze 'oase aan de Amstel'. Op hun historische schets laten ze drie uitgebreide rondwandelingen volgen. Ook daaruit blijkt dat de houding tegenover de dood veranderd is. De dodenakker is niet meer een plek waar men met een wijde boog omheen moet lopen. Men moet er juist op rondwandelen en men mag er zelfs van genieten. Met een opmerkelijk enthousiasme, als ging het om een exclusief resort, worden hier de pluspunten van Zorgvlied aangeprezen: de fraaie ligging, de verfijnde aanleg in Engelse landschapsstijl, de vele beroemdheden, de rijke flora en fauna. Zorgvlied wil blijkbaar meer zijn dan alleen een begraafplaats. Het is ook een wandelpark en een natuurgebied: een 'groenoase' die deel uitmaakt van een 'ecolint' dat loopt van Nieuwe Meer tot Nieuwe Diep, een natte groenstrook met enkele 'in- en uitstapplaatsen voor de dieren'.

In de grond is Zorgvlied een droevige plek, maar de aanwezigheid van de dood wordt in dit boek aardig gecompenseerd door de vrolijke aandacht voor alles wat er groeit en bloeit. De tekst gaat voortdurend van praalgraf naar beverboom en van mausoleum naar Turkse hazelaar: “Van de takken worden wandelstokken en lange pijpestelen gemaakt.” Er zijn korte uiteenzettingen over de inrichting van de aula en over islamitische begrafenisgebruiken, maar ook over het enten van bomen en over de bijen op de begraafplaats. “De Zorgvliedhoning is van hoge kwaliteit.” Tijdens de rondwandelingen staan we stil bij interessante grafmonumenten, maar ook bij een esdoorn waar elk jaar een halsbandparkiet met jongen huist. Er is aandacht voor het graf van Loe Lap, maar ook voor de meidoorn waar we in het voorjaar de spinselmotrupsjes zich zien ontpoppen.

Het boek bevat een bijlage met een uitleg over de meest voorkomende grafsymbolen en een lijst van bekende Nederlanders die er begraven liggen, maar ook een plattegrond met daarop alle vogelnestkasten, een inventarisatie van alle op Zorgvlied aangetroffen dieren (van huismus en huismuis tot boerenknoopje en paardebijter) en een beschrijving van alle vijfhonderd 'bijzondere bomen'. Het meest opmerkelijke aan deze enorme lijst is wel de waarde die blijkbaar van elke boom vastgesteld kan worden, tot in dubbeltjes en centen. Nummer 99 van de lijst, een Ginkgo biloba met een omvang van 16 centimeter, staat voor ƒ 53,16 in de boeken. Maar nummertje 230, een Salix alba van 6 meter 64 moet ƒ 91.556,13 opbrengen. In totaal staat er op Zorgvlied voor ƒ 2.634.343,70 aan bijzondere boom. Joost mag weten wat het nut is van zo'n optelsom.

Alle boomprijskaartjes ten spijt, ontleent Zorgvlied zijn grootste waarde toch aan de niet in geld uit te drukken sfeer, in het bijzonder de romantische sfeer van de oude, negentiende-eeuwse kern. J.D. Zocher ontwierp een dodenpark in de stijl van de Engelse tuin, met intieme hoekjes, bochtige paden, verspreid staande boomgroepen, overhuifde laantjes en onverwachte doorkijkjes: melancholiek stemmend, maar toch voornaam en fraai. Al meteen na de opening was Zorgvlied 'een succes', vooral in de wat betere en artistieke kringen. Spoedig waren uitbreidingen noodzakelijk, die aanvankelijk geheel volgens het concept van Zocher werden uitgevoerd.

Maar in de jaren twintig werd al een strakkere lijn zichtbaar en in de jaren dertig en na de oorlog helemaal. Een groot deel van Zorgvlied (thans ruim 17.000 graven) is in aanleg niet eens zo interessant. Rechte paden, weinig variatie en kortlevende bomen: “meer in overeenstemming (...) met de dynamiek van het moderne bestaan”. Het zijn de moderne buitenwijken van Zorgvlied, dat in zijn historische ontwikkeling wel iets weg heeft van Amsterdam zelf: Nieuw Zuid en Buitenveldert mogen nog zo ruim en doelmatig van opzet zijn, de grootste charme ontleent de stad toch aan het kleine oude centrum, met zijn bochten, steegjes, scheefgezakte huizen en verrassende doorkijkjes.

Op die oude Zocher-kern richten ook de meeste afbeeldingen zich. Bijna de helft van het boek wordt in beslag genomen door foto's: prachtige foto's, gemaakt door drie leerlingen van de Rietveld Academie. Zij hebben gedaan wat iedereen op Zorgvlied zou moeten doen: niet de routebeschrijving volgen, niet op zoek gaan naar de graven van 'bekende Nederlanders', maar ronddwalen en verrast worden. En alles wat zich dan aan het oog voordoet is meteen symbolisch: verse bloemen op een oud graf, verdorde bloemen op een vers graf, een vlinder in de zon op een marmeren richel, een praalgraf in de schaduw, een scheur in een zerk. Het leven wordt vanzelf erg simpel als men er op een dodenakker naar kijkt. Een van de foto's toont dit eenvoudige grafopschrift:

* 21 - 6 - 1974 ovl. 22 - 6 - 1974.

De foto's vormen, onbedoeld misschien, een waardig en stil commentaar op de nogal pocherige tekst, die wat al te veel beklemtoont hoe succesvol de onderneming is geweest, hoe bekend sommige doden tijdens hun leven waren en hoe fijn het wel niet is om op Zorgvlied te liggen - alsof het een kwestie van goede smaak is. In de foto's lees ik toch vooral deze waarheid, bezongen door de Limburgse popgroep Rowwen Hèze: wij gaan allemaal met de neus omhoog.