Weet de Europese burger wel dat hij bestaat? 'Europarlement zit aan de grond'

STRAATSBURG, 18 NOV. Met gebalde vuist hield de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Santer, deze week voor het Europarlement een toespraak over 'de Toestand van de Unie'. Maar hoezeer de baas van het dagelijks bestuur van de Europese Unie (EU) ook zijn best deed om een beetje te lijken op een president van de Verenigde Staten, voor de meesten van zijn onderdanen is Santer nog altijd een grote onbekende.

Nog meer dan aan hem, ligt dat aan het instituut waar hij voor werkt. Over het 'Europa van de burger' wordt in Brussel en Straatsburg geestdriftig gedebatteerd, maar de burger zelf heeft er nooit wakker van gelegen. De bewoners van de EU begrijpen maar weinig van de Europese instituties, willen niet weten door wie die bestuurd worden en blijven iedere vijf jaar weer massaal weg bij de Europese verkiezingen.

En toch, formeel bestaat de 'Europese burger'. Volgens het Verdrag van Maastricht is de Europese burger iemand die vrij door Europa mag reizen, recht heeft op bijstand van alle Europese ambassades buiten de EU, overal in de EU mag stemmen voor de Europese en de gemeenteraadsverkiezingen en zich tot een Europese ombudsman kan wenden als hij klachten heeft.

Maar weet de Europese burger wel dat hij bestaat, of liever: wil hij wel bestaan? “Nee” zegt de vroegere zakenman en nu Europarlementariër, J. Goldsmith, leider van de Europese fractie 'Europa van de naties'. “Mijn enige ambitie is het systeem te veranderen. Dit is een slecht en corrupt instituut”, zegt hij op zijn kamer op de zevende verdieping van het Europese Parlement in Straatsburg waar hij - maximaal één dag per maand - verblijft om zijn fractie te leiden. De rest van de tijd voert Goldsmith campagne in de lidstaten om referenda te houden over het nut van Europa.

De burger wil volgens Goldsmith maar één ding: dat de lidstaten zelf weer de beslissingen gaan nemen. De staatsinrichting moet weer simpel worden: de ministers doen de voorstellen en nemen de besluiten, de Europese Commissie wordt teruggebracht tot secretariaat en het Europarlement kan verdwijnen. “Als dat bereikt is”, zegt Goldsmith, “neem ik ontslag.”

Juist omdat de lidstaten op de belangrijkste beleidsterreinen nog steeds zelf de besluiten nemen, voelt de burger zich niet betrokken bij Europa, zegt daarentegen de leider van de liberale fractie in het Europarlement, de Nederlander Gijs de Vries. Volgens de Vries wordt op de gebieden waar het vetorecht geldt niets klaargespeeld. Daarom wordt de grensoverschrijdende criminaliteit nog steeds niet aangepakt en zijn in Europa de grenscontroles nog niet opgeheven. Tijdens de herziening van het Verdrag van Maastricht, die voor volgend jaar op het programma staat, moet het veto volgens de Vries worden teruggedrongen, wil Brussel het contact met de eigen burgers niet verliezen.

Volgens Europarlementariër, Piet Dankert (PvdA), weten de meeste burgers niet goed hoe de Europese besluitvorming werkt, en verwijten ze het Europese Parlement daarom vaak de misstanden die het juist zelf aan de kaak heeft gesteld.

Volgens Arie Oostlander (Europarlement, CDA) krijgt het parlement inderdaad vaak de schuld van alles. “Het zijn die rotministers die het ons onmogelijk maken om een vuist te maken, en vervolgens wordt ons door de burgers het gebrek aan macht verweten. De ministers besluiten dat wij een week in de maand in Straatsburg moeten zitten en dat er een nieuw parlementsgebouw moet komen en dan wordt het ons kwalijk genomen dat er geld wordt verspild”, zegt hij.

Volgens Dankert heeft de burger met Europa vooral een identificatieprobleem. “De vroegere commissievoorzitter Delors had nog wel charisma, maar Santer komt met zijn uitsraling niet veel verder dan Luxemburg. Het is in Europa onduidelijk wie tegen wie is, er zijn voor de burger geen duidelijke keuzes.” Dankert is pessimistisch over de kans dat in de toekomst meer gezamenlijke besluiten zullen worden genomen en de betrokkenheid van de burger bij Brussel zal toenemen. “Je kunt met een zekere inventiviteit wel proberen de zaken verder te brengen, maar de Britten gaan toch dwarsliggen en de Zweden durven ook niks. Het zit er gewoon niet in, we zitten aan de grond.”

Maar Dankert voorziet ook dat een aantal landen zich niet bij die stilstand zal neerleggen. Duitsland, Frankrijk, de Benelux en wellicht Spanje en Italië zullen verder willen, als het moet zonder de rest. “Je krijgt dan de merkwaardige situatie dat in het Europarlement ook een kerngroep moet worden gevormd. Ik kan me niet goed voorstellen hoe dat moet gaan werken”, zegt Dankert.

Onmacht. Arie Oostlander kent dat gevoel. Hij heeft steeds tevergeefs gepleit voor opheffing van het wapenembargo in Bosnie, ook zo'n beleidsterrein waar de Europese landen een veto-recht hebben. Iedereen zag het, zegt hij, ook de Europese commissaris voor buitenlandse zaken Van den Broek. Maar er gebeurde niks omdat een paar “kwade geniussen” de opheffing van het embargo saboteerden. “Je moet hier mensen hebben die zich niet laten ontmoedigen”, zegt Oostlander. “Je moet heel lang op iets hengsten voordat het doordringt.” Zijn goede vriend en collega in het Europarlement, de Italiaan Alexander Langer, pleegde deze zomer zelfmoord. Oostlander: “Hij zag Bosnie door zijn vingers glippen. De Bosnische moslims klampten zich aan hem vast als aan een laatste strohalm en hij kon niets doen.”

Anderzijds is de oorlog in ex-Joegoslavië er volgens Oostlander ook juist het bewijs van dat het Europese bewustzijn wel degelijk bestaat. “Veel burgers zeggen nu toch: hadden we dat als Europeanen niet samen kunnen klaren?”

In september van dit jaar is eindelijk de lang verwachte Europese ombudsman aangesteld. Hij moet de burgers in Europa het gevoel geven dat er iemand is in het bureaucratische doolhof bij wie ze terecht kunnen met klachten. Dat er een ombudsman zou komen, was al beloofd in het hoofdstuk over het Europese burgerschap in 'Maastricht', maar het duurde even voordat de lidstaten het erover eens waren welk land hem moest sturen.

De Fin Jacob Soderman zit zwijgzaam aan zijn bureau waarop ordners staan met daarin al 250 klachten. De klachten varieren van het niet erkennen van diploma's en tot het algemene gebrek aan openbaarheid van bestuur in de EU. Gevraagd naar wat Soderman aan die klachten kan doen, pakt hij het reglement voor de ombudsman en onderstreept daarin een aantal passages. Hij kan een onderzoek instellen waaraan de instituties en de lidstaten moeten meewerken, hij kan de hulp inroepen van het Europese Parlement en hij kan naar een minnelijke schikking zoeken. Dat behoeft geen toelichting, vindt hij. Soderman heeft moeite met uit te leggen wat de burger in de praktijk precies aan hem heeft, maar zegt na lang aandringen wel wat er niet mogelijk is: iets wezenlijk veranderen. “Ik opereer binnen mijn mandaat en bemoei mij niet met politiek. Ik ben een ombudsman, geen Superman.”