Voorbij de blanke top der duinen

K. DAVIDS, M. 'T HART, H. KLEIJER en J. LUCASSEN (red.): De Republiek tussen zee en vasteland. Buitenlandse invloeden op cultuur, economie en politiek in Nederland 1580-1800

303 blz., geïll., Garant 1995, ƒ 39,90

De portretten van Hollandse regenten met hun zwarte hoeden en witte kragen, de koopvaardijschepen op zee en de talloze havengezichten waarmee het Rijksmuseum vol hangt, bepalen het beeld van de vaderlandse geschiedenis. Sinds jaar en dag zijn historici nochtans druk doende dit 'hollandocentrisme' te ontzenuwen. De regionale geschiedbeoefening bloeit. Zelfs de Brabantse Kempen, een gebied dat historisch altijd voor arm en achterlijk is versleten, blijkt over een verleden te beschikken dat zich kenmerkt door culturele dynamiek en eigenheid. Om juist in deze context op zoek te gaan naar het ontstaan van een gemeenschappelijke Nederlandse identiteit ten tijde van de Republiek (1580-1795) lijkt een beetje vragen om moeilijkheden.

De redactie van de bundel De Republiek tussen zee en vasteland moet inderdaad halsbrekende toeren uithalen om uit te leggen waar het boek over gaat. Niet de wording van de Nederlandse identiteit zelf is het onderwerp dat hier wordt bestudeerd, nee: “de aspecten van de context waarbinnen identiteit en identiteitsbesef in de periode van de Republiek tot ontwikkeling konden komen”. Dat die context op het eerste gezicht een nogal diffuus beeld laat zien van internationale verbanden en regionale verschillen laat zich raden. De verspreiding van Aziatisch porselein, financieel beleid ten tijde van oorlog, de invloed van het Engelse puritanisme op de Nederlandse gereformeerden, economische contacten tussen Utrecht en Duitsland en tussen Brabant en Holland, de banden van het huis van Oranje met de Duitse hoven, Amsterdam en de internationale kapitaalstromen - het is een bonte verzameling verhalen geworden waarvan de onderlinge overeenkomst blijkt te zijn dat ze met een onverbiddelijke regelmaat het on-Nederlandse van Holland en het on-Hollandse van de Republiek benadrukken.

Toch wordt in die wirwar van onderwerpen veel duidelijk. In alle gewesten van de Republiek is sprake geweest van zowel maritieme als continentale invloeden op het maatschappelijk leven, maar niet overal in gelijke mate. Overzeese invloeden waren natuurlijk het sterkst in de kustgebieden en vonden van daaruit hun weg naar de andere gewesten. Zo ging dat met de verspreiding van reisverhalen, het Engelse puritanisme en Aziatische produkten. Hester Dibbits en Gerard Rooijakkers beschrijven bijvoorbeeld hoe Chinees porselein, dat in Maassluis al in de eerste helft van de zeventiende eeuw in de meeste boedelinventarissen wordt vermeld, pas een eeuw later - en deels was dat ook nog goedkopere imitatie uit Delft - in modale Oirschotse huishoudens terecht kwam. Maar niet in alle opzichten was Holland het centrum en de rest van de Republiek de periferie. Het artikel van Ronald Rommes laat juist zien dat vele immigranten die in Utrecht hun stempel drukten op het economisch leven, via de Rijn uit Duitsland kwamen. Ook rivieren vormden belangrijke verbindingen.

Voor sommige verschillen tussen de zee- en landgewesten geven de artikelen geen ondubelzinnige verklaring. Volgens Hans de Waardt geschiedden heksenvervolgingen steeds in tijden van nood en bleven ze in de kuststreken uit omdat over zee altijd graan kon worden geïmporteerd. In Brabant daarentegen waar eind zestiende eeuw, na de val van Antwerpen, de toegang tot zee was afgesloten, werden in jaren van voedselschaarste nog tientallen heksen verbrand. Het is echter de vraag of alle culturele, economische en politieke verschillen tussen de land- en zeegewesten kunnen worden verklaard door de verschillen in welvaart of materiële omstandigheden. Aan zee heerste zowel letterlijk als figuurlijk een ander klimaat.

Lex Heerma van Voss vraagt zich af of er in de vroeg-moderne tijd niet sprake kan zijn geweest van een apart cultuurgebied rond de Noordzee. Een reden waarom de beroemde Franse historicus Fernand Braudel de Middellandse Zee koos als onderzoeksgebied was dat de mediterrane kustgebieden in veel meer opzichten een eenheid vormden dan wat later de nationale staten zouden worden. In de vroeg-moderne tijd was transport over water veel sneller en goedkoper dan over land. Tussen de kustgebieden van de Nederlanden, Groot-Brittannië, Denemarken, Noorwegen, Zweden en Noord-Duitsland, bestond een druk verkeer van goederen en mensen. De rond de Noordzee gesproken talen waren nauw verwant en er waren veel culturele overeenkomsten. Juist in dit gebied weken demografische patronen en bezitsverhoudingen in de vroeg-moderne tijd af van die van de rest van Europa. Ook was de alfabetiseringsgraad er het hoogst en de heksenvervolging zeer gematigd.

In april van dit jaar is er in Leiden een conferentie gehouden waar historici uit alle 'Noordzeelanden' inclusief IJsland zich hebben gebogen over de vroeg-moderne Noordzeecultuur. De vraag is overigens of deze ontdekking van de 'Noordzeecultuur' aanleiding zal zijn voor meer dan vrijblijvende uitwisseling van kennis over historische contacten, handelsroutes, migratie, enzovoort. Die verwachting wordt door Heerma van Voss met zijn verwijzing naar het klassieke werk van Braudel over de Middellandse Zee wel enigszins gewekt. De Middellandse Zee was voor Braudel niet alleen onderzoeksgebied maar ook onderzoeksonderwerp. De kenmerken van het landschap, het klimaat en de ecologische ontwikkeling zag Braudel als bepalende factoren in de geschiedenis van de mediterrane landen.

De vraag is of iemand met betrekking tot de Noordzee zo ver wil gaan. Bij de borrel is het makkelijk praten over het verband tussen het landschap waar mensen hun hele leven tegenaan kijken en hun volksaard, maar wetenschappelijk onderzoek daarnaar wekt veeleer associaties met de etnologen die in vroeger tijden de hele wereld bereisden om schedels op te meten. Otto Knottnerus bewijst echter met een intrigerend artikel over de angst voor de zee, dat de vraag naar zulke verbanden niet per se hoeft te leiden tot vage speculaties. De bevolking van de kuststreken werd van oudsher geteisterd door overstromingen, scheepsrampen en malaria. De zee vervulde de kustbewoners met diepe angst en het leven gold er als ongezond. Toch waren volgens Knottnerus juist in de kustgebieden alle voorwaarden aanwezig om de angst voor de natuur te overwinnen en plaats te bieden aan een rationeler, open en dynamisch wereldbeeld.