Sartre, Aron en de ondergang van het engagement

JEAN-FRANÇOIS SIRINELLI: Deux intellectuels dans le siècle, Sartre et Aron

396 blz., Fayard 1995, ƒ 57,40

Met het gevoel voor romantiek dat adolescenten eigen is, deden Jean-Paul Sartre en Raymond Aron als jonge studenten aan de Ecole normale supérieure (ENS) in Parijs elkaar een plechtige belofte. Beiden hadden als geboortejaar 1905, en zij zwoeren dat degene die het langst zou leven voor zijn overleden kameraad een lovende necrologie zou schrijven.

“Maar de afspraak van destijds geldt niet meer”, schreef Aron koeltjes in 1980, toen Sartre de laatste adem uitblies - doof, blind en uitgeblust, maar nog altijd een cult-figuur van een hele generatie Franse en niet-Franse intellectuelen. Te prijzen viel er niet veel, meende Aron. Sartre had zich, in zijn ogen, sinds het einde van de oorlog ontwikkeld tot de voorvechter van kwalijke zaken: het communisme, de Sovjet-Unie, een radicaal anti-Amerikanisme, en een omverwerping van de liberale democratie.

Sartre van zijn kant had van zijn afkeer over het optreden van de liberale essayist, socioloog en politicoloog Aron ook geenszins een geheim gemaakt: klassevijand en reactionair waren nog de vriendelijkste kwalificaties. Terwijl Sartre tientallen jaren lang de intellectuele held was van een hele generatie, werd Aron min of meer getroffen door ostracisme uit dezelfde geletterde gemeenschap, hoeveel waardering zijn werk in kleine academische kring ook mocht ontvangen.

Bij Sartres dood in 1980, en bij die van Aron drie jaar later, leek het ideologisch geschil tussen beiden evenwel beslist in het voordeel van de laatste. In 1976 was in Frankrijk De Goelag Archipel van Aleksander Solzjenitsyn als een bom ingeslagen. Plotseling werd het bon ton om met publiekelijk afgrijzen de massaslachtingen in naam van het socialisme onder ogen te zien, waar deze voorheen in linkse kring veelal waren ontkend of weggerationaliseerd als spaanders-waar-gehakt-wordt. Vijftien jaar na Sartres dood, schijnt de uitkomst van de controverse Sartre-Aron nog veel duidelijker.

Het koortsachtig engagement van Sartre - vele honderden intellectuele petities heeft hij in zijn leven ondertekend - doet in ogen van hedendaagse toeschouwers welhaast komisch aan. Zijn persoonlijke en politieke aanvallen op een ieder die rechtser was dan hijzelf - verzameld in vele bundels Situations - zijn nu grotendeels onleesbaar en veelal onbegrijpelijk geworden, of gewoon pijnlijk, als het zijn verzekeringen over persoonlijke vrijheid en welvaart in de Sovjet-Unie betreft. Maar het was nooit de inhoud van Sartres - veelal tamelijk cryptisch gestelde - opstellen over de politieke actualiteit, die zijn populariteit bepaalde. En misschien werd die zelfs ook niet zozeer bepaald door het deel van zijn oeuvre dat de tand des tijds beter heeft doorstaan, zoals zijn verhandelingen over Flaubert, Baudelaire en het antisemitisme, zijn memoires De woorden, en zijn literaire werk. Het ging destijds in de eerste plaats om zijn levenshouding, en om zijn ongebreidelde intellectueel engagement in het bijzonder.

Sinds de affaire-Dreyfus lijdt een deel van het Franse intellectuele establishment aan het engagement-syndroom. Als in een reflex kiest men partij: altijd vóór de kant van de rechtvaardigheid natuurlijk, en tegen het onrecht. Sartre deed dat ook, en koos en passant meteen de kant van de 'Loop der geschiedenis', zoals hij die belichaamd zag in de zegetocht van het marxistisch gedachtengoed (althans de existentialistische variant daarvan). Na Sartre is dit soort volkomen engagement uit de mode geraakt.

Tevergeefs probeert in onze dagen een schrijver en mediafilosoof als Bernard-Henri Lévy, aan de hand van de oorlog in Bosnië, het engagement als dure plicht te doen herleven. Maar de tijd der intellectuele profeten, om Lévy zelf te citeren, lijkt voorlopig voorbij.

Dagelijks commentaar

Eén en ander heeft in Frankrijk overigens niet geleid tot een overmatige postume populariteit voor Raymond Aron, een denker die probeerde voorzichtig te analyseren, te begrijpen en te twijfelen aan de door hemzelf ingenomen standpunten. Aron gaf deze geesteshouding vorm in zijn dagelijks commentaar in Le Figaro en in een reeks nog altijd zeer leesbare en lucide boeken over de internationale politiek, de fragiliteit van de liberale democratie, de industriële samenleving en de zelfbegoocheling van het marxisme. Uit zijn L'opium des intellectuels (1955), Essai sur les libertés (1964), La révolution introuvable (1968) en D'une Sainte Familie à l'autre (1961) rijst het beeld van een keurige heer, die - anders dan Sartre en Beauvoir - de mensheid niet de indruk wilde geven dat haar bij lezing van zijn werk een meeslepend existentieel avontuur op de koop werd geleverd. Le Figaro was (en is) trouwens niet het blad om je ideeën in intellectuele kring grote populariteit te verschaffen. Die krant wordt voornamelijk gelezen door brave burgers.

Jean-Franc¸ois Sirinelli, hoogleraar aan de Universiteit Lille-III en schrijver van een aantal werken over intellectuele geschiedenis, tracht in zijn Deux intellectuels dans le siècle te komen tot een vergelijkende intellectuele biografie van Sartre en Aron. De wortels voor die vergelijking liggen in het jaar 1924, toen beiden werden toegelaten tot de Ecole normale aan de Rue d'Ulm in Parijs, een prestigieuze instelling waar traditioneel het puikje der beoefenaars der humaniora wordt opgeleid.

Nadat daar jarenlang de toon werd aangegeven door jongeren die de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog hadden overleefd, trad met het klasje van 1924 voor het eerst een duidelijk naoorlogse generatie aan. In politieke zin was de Ecole normale een uitzondering in het landschap van die dagen. Terwijl rechtse ideeën de boventoon voerden onder de studenten van de Sorbonne - zelfs in toenemende mate in de jaren dertig - was aan de ENS nog steeds het socialisme in de mode. Dat was trouwens een erfenis van de Dreyfus-tijd, toen de legendarische bibliothecaris Lucien Herr de school tot een bastion van socialistisch geïnspireerde vooruitstrevendheid had gemaakt.

Raymond Aron flirtte als student met de sociaal-democratie zoals die werd belichaamd door de partij SFIO. Van Sartre is uit die tijd geen politieke stellingname bekend, of het moest zijn dat beiden in 1925 deelnamen aan kleine studentenrelletjes, toen rechtse studenten van de Sorbonne colleges boycotten op de juridische faculteit en studenten van de Ecole normale naar de universiteitsgebouwen togen om daar demonstratief in de zaal te gaan zitten.

Sartre noch Aron heeft zich, voor zover bekend, aangemeld bij het in 1934 opgerichte Comité de Vigilance des Intellectuels Antifascistes (CVIA). Deze organisatie beoogde een politiek Volksfront van socialisten, radicalen en communisten voor te bereiden, dat na een verkiezingsoverwinning in 1936 inderdaad aan de regering zou komen. Het CVIA, dat overigens voorbeeld was voor het Nederlandse 'Comité van waakzaamheid' van Menno ter Braak en Jan Romein, ging al spoedig ten onder, vooral aan communistische pogingen er een frontorganisatie van te maken.

Heidegger en vrouwen

Aron heeft zijn absentie in het CVIA later verklaard uit zijn toenmalige overtuiging dat fascistische groeperingen in 1934 en de jaren daarna geen daadwerkelijk politiek gevaar voor de democratie in Frankrijk opleverden. Voor de jonge Sartre gold - zo blijkt ook uit beschrijvingen van zijn levensgezel Simone de Beauvoir - dat hij zich in deze jaren vooral interesseerde voor literatuur en filosofie, en zijn eigen carrière daarin, terwijl het traditionele politieke leven hem nauwelijks koud of warm maakte.

Het contrast tussen de houding van Aron en Sartre was trouwens ook al aan de dag getreden tijdens de periode die zij ieder afzonderlijk in het gistende Duitsland hadden doorgebracht, in het kader van onderwijsopdrachten aan Franse culturele instituten te Keulen en Berlijn. Aron raakte na Hitlers machtsgreep in 1933 definitief genezen van alle principieel-pacifistische neigingen, zoals die in linkse kring na de Eerste Wereldoorlog lange tijd hadden overheerst. De geschiedenis was weer begonnen, constateerde hij, en daarmee begon zijn levenslange loopbaan als nauwgezet volger van de internationale politiek.

Van Sartre zijn uit deze jaren nauwelijks uitspraken over Duitsland bekend. Tijdens het collegejaar 1933-'34 dat hij in Berlijn doorbracht, richtte hij zich op Heidegger en op vrouwen, niet op straatrumoer. Later gaf hij trouwens grif toe dat vooral de geneugten van de liefde hem hadden beziggehouden. “Ik had een jaar vakantie in Berlijn, en hervond de onbezonnenheid van de jeugd”, verklaarde hij. Ook werkte hij aan zijn debuutroman La nausée (1938), waarin geen Duitse culturele invloeden zijn te herkennen.

Zowel Sartre als Aron werd in 1939 voor de militaire dienst opgeroepen. Zij dienden op verschillende locaties in de weerkundige dienst van het Franse leger. Aron zat bij een onderdeel in de Ardennen dat in mei 1940 vrijwel direct door Duitse troepen onder de voet werd gelopen. Hij wist echter Londen te bereiken, waar hij pas in 1943 met zijn vrouw en kinderen werd herenigd.

Onmiddellijk voegde hij zich bij de 'Vrije Fransen', die onder leiding van generaal De Gaulle het defaitisme van de Vichy-staat afwezen en de militaire bevrijding van Frankrijk voorbereidden. Elke maand schreef hij een politieke analyse voor het blad La France Libre dat in Londen verscheen.

Over Sartres houding in de bezettingsjaren is de laatste jaren veel duidelijk geworden, en niet zelden ging dat gepaard met luidruchtige blijken van morele verontwaardiging. Ofschoon het paar Sartre-Beauvoir in het bezette Parijs zeer zeker ook verkeerde in kringen van intellectueel, aan de communistische partij gelieerd verzet, lijkt dit beiden er niet van te hebben weerhouden voort te gaan met hun dagelijkse werkzaamheden. Beauvoir hield zelfs praatjes voor Radio-Vichy. Sartre droeg weliswaar artikelen bij aan enkele clandestiene tijdschriften, maar zag geen bezwaar om zijn l'Être et le néant (1943) te doen verschijnen bij een gelijkgeschakelde uitgeverij, en zijn toneelstukken Les mouches en Huis clos te laten opvoeren. Beide stukken werden door de Vichy-pers gunstig ontvangen.

In het licht van de moeilijkheden die andere Franse intellectuelen in de oorlog ondervonden, is de relatief comfortabele bezettingstijd van het paar Sartre-Beauvoir niet iets om achteraf overmatig trots op te zijn. Hun toenmalige houding dat alle politiek nu eenmaal walgelijk is voor de mens die op zichzelf wordt teruggeworpen, lijkt zeker in de huidige optiek niet helemaal waterdicht.

Gloriejaren

In 1945 begon in Frankrijk de periode die Sirinelli tot “de dertig gloriejaren van het intellectueel engagement” bestempelt. Sartre en Aron behoorden, na een gelukkig weerzien na jaren van scheiding, tot de oprichters van het tijdschrift Les Temps modernes. In de programmatische inleiding van het eerste nummer zien we Sartres denkbeelden over het politiek engagement verwoord. De intellectueel, heet het, moet nauw de geschiedenis van zijn tijd 'omarmen'.

Hoewel deze frasen de sporen dragen van marxistische gedachten uit de jaren dertig over de taak van intellectuelen, zat Sartre in de eerste naoorlogse jaren niet op schoot bij de Franse communistische partij. Dat bleek bijvoorbeeld toen hij het publiekelijk opnam voor de nagedachtenis van de schrijver Paul Nizan, een andere klasgenoot van de Ecole normale uit 1924. Die was communist geworden, maar had de partij de rug toegekeerd ten tijde van het Hitler-Stalinpact van 1939, alvorens een jaar later aan het front te sneuvelen. De communistische partij beloonde Nizan voor zijn twijfel aan de juistheid van de leer door na de oorlog het praatje rond te strooien dat hij een spion was geweest, iets waartegen Sartre protesteerde.

Terwijl Sartre in Les temps modernes en vele andere bladen de geschiedenis op zijn manier omarmde met analyses van de bedoelingen van de bourgeoisie, voorspellingen omtrent de komst van de klassenloze maatschappij, en een erg coulante houding jegens de Sovjet-Unie paarde aan een krachtige afkeer van de Amerikaanse politiek en geesteshouding, koos Aron een geheel andere weg. In 1947 trad hij toe tot de eerste gaullistische beweging, de RPF. Kort daarna werd de persoonlijke breuk tussen Sartre en Aron een feit, toen de eerste tijdens een radio-uitzending De Gaulle vergeleek met maarschalk Pétain, hoofd van de Vichy-staat. Aron zweeg toen gaullisten voor de microfoon virulent tegen die vergelijking protesteerden. Na afloop gingen Sartre en Aron gescheiden huiswaarts, zonder elkaar te groeten. Zij zouden elkaar pas in 1979 weer tegenkomen, tijdens hun gezamelijke persconferentie van een steunactie voor Vietnamese bootvluchtelingen.

Pikant

Het is betreurenswaardig dat Sirinelli over het duo Sartre en Aron, die in hun leven en werk een fundamenteel schisma in het intellectuele leven van de twintigste eeuw belichamen, zo'n - eerlijk gezegd - melig boek heeft geschreven. Gepresenteerd als een brede geschiedkundige studie, gaat het eigenlijk om een historisch opstel zonder veel poging tot verhaal, laat staan petite histoire. Daarbij verwijst de auteur, telkens als de ontwikkelingen spannend beginnen te worden, naar andere boeken - als hij bepaalde episodes al niet afdoet met de opmerking “zoals elders al uitvoerig is beschreven”. De gehele verhandeling loopt uit op de niet bijster verrassende conclusie dat de gouden dagen van het intellectueel engagement, althans voorlopig, met Sartre en Aron ten grave zijn gedragen.

Maar de fabel van Sartre en Aron blijft pikant, leerzaam en vol intrigerende ambivalentie. Wie schaamt zich niet plaatsvervangend als hij ziet hoe Sartre, de ene bloedige revolutie na de andere omarmend, tenslotte als de aartsvader van de studentenrevolte van 1968 wordt vereerd, en in de jaren daarna zelfs ventend met het maoïstische blaadje La cause du peuple de straat op gaat? En dat terwijl intellectueel Frankrijk tegelijkertijd geen goed woord over heeft voor Aron, die de ene na de andere steekhoudende verhandeling publiceert, en zeker in 1968 wordt verketterd als knecht van de reactie. Anderzijds rijst ook de vraag of Sartre misschien niet te snel en te gemakzuchtig bij de vuilnisbak der geschiedenis is gezet door mensen die na de val van de Muur er aanspraak om maakten altijd al aan de 'goede' kant in de Koude Oorlog te hebben gestaan.

Waarschijnlijk zal Sartre, met al zijn feilen, miskleunen en vergissingen, overleven als een maître à penser van deze eeuw. Het is niet helemaal zeker of dat ook geldt voor Aron, die pas in 1983, bij het uitkomen van zijn memoires, in brede kring werd geëerd als een belangrijk denker en ooggetuige van zijn tijd. Op zijn begrafenis ontbraken de grote mensenmenigten, zoals die drie jaar daarvoor rond de baar van Sartre waren samengedromd. Aron heeft van de geschiedenis gelijk gekregen, maar dat is in het licht van de eeuwigheid slechts een schrale troost.