Pleidooi voor de patiënt

F. DE GRAAF en C. LAMEER (red.): Medisch beroepsgeheim onder druk

98 blz., Bohn Stafleu Van Loghum 1995, ƒ 39,-

Rond het begin van onze jaartelling omschreef de Romeinse dichter Vergilius het artsenberoep als de 'ars muta': het zwijgend beroep. Bij alle veranderingen in de geneeskunst is dat door de eeuwen heen een constante gebleven. Ook de moderne mens vertrouwt dat zijn arts geheimhouding zal bewaren over 'alles wat hem als zodanig is toevertrouwd'. Dit is ook neergelegd in de wet.

Het medisch beroepsgeheim is echter geen rustig bezit, zo luidde de communis opinio onder de (merendeels juridische) inleiders op een symposium dat werd gehouden in het ziekenhuis Gooi-Noord. Uit hun gebundelde bijdragen die deze week in hetzelfde ziekenhuis werden gepresenteerd, blijkt dat er regelmatig aan de arts wordt getrokken:

- Er verschijnen twee agenten in uniform bij een ziekenhuisdirecteur en vragen hem gegevens over spoedopnames in verband met een gewapende overval waarbij iemand gewond is geraakt.

- Bij de arrestatie van een drugshandelaar wordt een vrouw aangetroffen die in deplorabele toestand verkeert. De justitie vraagt de medewerking van de behandelende artsen om aan te tonen dat de dealer onzuiver spul had verkocht.

Dit zijn de klassieke voorbeelden en de geheimhoudingsplicht ligt hier relatief duidelijk. Het is duidelijk dat de samenleving een prijs betaalt, maar de doorslag geeft het grotere goed dat ieder mens zich zonder vrees voor repercussies tot een arts moet kunnen wenden. Daarvoor moet zelfs de justitie wijken.

Geldt dat ook voor de verzorgingsstaat? Een actueel knelpunt vormt het verstrekken van medische informatie over zieke werknemers door Arbodiensten aan bedrijfsverenigingen in het kader van de bestrijding van het ziekteverzuim. “De scheiding tussen behandeling en controle staat onder druk”, zegt de secretaris-jurist van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor de Geneeskunst, W.R. Kastelein. Het vragen van toestemming aan de patiënt lost dit probleem volgens haar niet op, zolang het weigeren daarvan verregaande consequenties heeft, variërend van geen uitkering tot ontslag.

Deze auteur signaleert ook dat de verzoeken van ziektekostenverzekeraars om medische informatie (ook in het kader van het betalingsverkeer) “steeds verder gaan”, zowel wat betreft de kwantiteit als de inhoud. Een voormalig lid van het Medisch tuchtcollege in Amsterdam tekent aan dat behandelende artsen ten onrechte zonder voorafgaande toestemming van de patiënt inlichtingen verschaffen aan keurings- en verzekeringsartsen. Deze laatsten aarzelen soms niet bepaalde medische details ook nog eens door te geven aan hun opdrachtgever.

Behalve de medische keuring is vooral de echtscheidingsprocedure een bron van medische lekken, is de indruk van de inspecteur van de volksgezondheid W.J. Spiers. Er komen overigens weinig zaken die het medisch beroepsgeheim betreffen voor de tuchtrechter. Het medisch geheim ligt ook ingewikkeld. Er zijn situaties waarin de arts ondanks zijn geheimhoudingsplicht toch mag spreken: een arts alarmeert tegen de wil van de ouders de Raad voor de kinderbescherming over hun twaalfjarig dochtertje na een team-onderzoek op de polikliniek kinderpsychiatrie.

Minder begrijpelijk is dat, zoals de Amsterdamse hoogleraar gezondheidsrecht J.K.M. Gevers opmerkt, “het beroepsgeheim binnen de gezondheidszorg soms minder wordt gerespecteerd dan men juist daar zou verwachten”.

Dat is een kwestie van schaalvergroting en bureaucratisering binnen de zorg zelf, maar ook van wetenschappelijk onderzoek zonder toestemming van de patiënt. De tijdgeest zit kennelijk niet mee. Niet alleen het medisch beroepsgeheim ligt onder vuur, ook het beroepsgeheim van notarissen en advocaten staat de laatste tijd ter discussie in verband met de aanpak van het zwart-geldcircuit. Het is voor Gevers een reden te meer de gezondheidszorg op het hart te binden het beroepsgeheim althans zèlf zorgvuldig te koesteren.