Opsluiting

MARK JANSSEN, MARLIEKE DE JONG en JAN POLS: Dwang in de psychiatrie. Dilemma's, feiten, ervaringen en alternatieven

171 blz., Babylon-De Geus 1995, ƒ 29,90

Tijdens zijn bezoeken aan de Italiaanse stad Triëst, waar ingrijpende veranderingen hebben plaatsgehad in de psychiatrie, raakte Mark Janssen onder de indruk van de mate waarin men dwangtoepassing had weten terug te dringen. Het aantal dwangopnamen bleek vrijwel tot nul gereduceerd en de isoleercellen waren afgeschaft. Gesloten afdelingen bestonden niet meer en op een enkele uitzondering na gingen de deuren niet langer op slot. Het grote psychiatrische ziekenhuis van Triëst was vervangen door alternatieven in de stad: beschermende woonvormen en wijkcentra, van waaruit ambulante hulp werd gegeven.

Over de 'vooruitgang' van de Italiaanse psychiatrie bestaat over het algemeen een minder gunstig beeld, maar volgens psycholoog-onderzoeker Janssen, één der auteurs van Dwang in de psychiatrie, is dat maar ten dele juist. Het schrikbeeld van de falende Italiaanse de-institutionalisering geldt namelijk niet voor het rijke noorden, waar op talrijke plaatsen succesvolle hervormingen van de geestelijke gezondheidszorg zijn doorgevoerd. Janssen geeft toe dat ook daar dwang niet helemaal is uitgebannen, maar de functie ervan is anders geworden: men ziet het niet meer als oplossing, maar “als hulpmiddel om contact met de cliënt te forceren”. In Nederland moet dat ook kunnen, meent Janssen, door de-escalatie.

Jammer genoeg wordt het betoog van de schrijver om de haverklap ontsierd door lichte overdrijving en een duidelijke voorkeur voor morele verontwaardiging en ideologische vooroordelen boven een meer rationale benadering die je eerder van wetenschappers verwacht. “Maak eindelijk eens een begin met het aanpakken van de problemen waar het werkelijk om gaat in plaats van voortdurend de symptomen te bestrijden”, schrijft Janssen tenslotte geïrriteerd. Een ander punt is dat zijn betoog een enkele onjuistheid bevat. Zo noemt hij als voorbeeld van dwangbehandeling ten onrechte elektroshock. Los van deze euvelen en de antipsychiatrische toonzetting plaatst de schrijver terecht vraagtekens bij het gevaarscriterium of het bestwil-principe als argument voor het toepassen van dwang. Echt gevaarlijk zijn psychiatrische patiënten maar zelden. In de praktijk wordt een dwangopname en -behandeling vaak bewerkstelligd wegens overlast of ordeverstoring.

Grappig is dat wetenschapper, psychiater en patiënt elkaar in dit boek prima hebben weten te vinden. De dilemma's die psychiater Jan Pols bespreekt van macht, onmacht en dwang in de psychiatrie, klinken herkenbaar, gedegen èn onderkoeld. Dwang is geen exclusieve specialiteit van de psychiatrie, schrijft Pols. In de rest van de geneeskunde komt het ook voor, zonder dat het als dwang wordt herkend. Neem de angstige oude baas met een overvolle blaas die onder protest door de uroloog een catheter ingebracht krijgt, volgens Pols een goed voorbeeld van uitoefening van 'deskundigheidsmacht'. Daarentegen spetteren de vonken af van wat Marlieke de Jong uitschreeuwt in 'De pijn, de prijs en de rekening'. De Jong werkt in de verslaafdenzorg als 'cliëntdeskundige'. Ter afsluiting geven de auteurs gedrieën bescheiden adviezen hoe je als werknemer in een instelling van de geestelijke gezondheidszorg dwang zou kunnen verminderen: ga vooral niet evangeliseren.

Dat dwangopname en -behandeling voor een patiënt ook heilzaam kan zijn, is een gedachte die bij de schrijvers nauwelijks leeft. Weliswaar valt er op het terrein van het terugdringen van dwang nog een hoop te verbeteren, maar of de (toegenomen) regel- en wetgeving daartoe de beste middelen zijn, mag worden betwijfeld. Zoals psychiater Leo Timmerman het omschrijft in zijn proefschrift Panic Disorder, a specific clinical entity? dat hij deze maand in Rotterdam hoopt te verdedigen: “Strikte naleving van de wet Bijzondere Opneming Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) houdt vaak de patiënt ziek, de familie radeloos, de dokter machteloos en de juristen aan het werk”.