Op naar het Fonds!

DE NEDERLANDSE ANTILLEN zijn zo diep weggezakt in het moeras van financieel-economische problemen, dat ze er op eigen kracht niet meer uit komen. Op aandrang van Nederland heeft de Antilliaanse regering zich gewend tot het Internationale Monetaire Fonds (IMF), de reddingsboei voor landen in ernstige economische moeilijkheden. Zo bijzonder is dat niet, bij het IMF zijn op het ogenblik negenenvijftig landen in behandeling met een aanpassingsprogramma, uiteenlopend van Rusland, Mexico en Turkije tot Togo, Egypte en Vietnam. In heel wat landen kost het immers moeite om een behoorlijke staatshuishouding te voeren en zijn economische hervormingen dringend noodzakelijk.

Uitzonderlijk is wel dat het IMF voor de Antillen het programma opstelt en toezicht op de naleving ervan zal houden, terwijl De Nederlandsche Bank de benodigde deviezensteun zal verstrekken omdat niet de Antillen maar het Koninkrijk der Nederlanden lid is van het Fonds. Zo krijgt het Koninkrijk, voor het eerst binnen zijn grenzen te maken met de harde hand van het IMF.

Op grond van het Koninkrijksstatuut hebben de Antillen een verregaande financieel-economische autonomie. Toen in de jaren tachtig om verschillende redenen de inkomsten uit de olie-industrie, het toerisme en de dienstverlening als belastingparadijs daalden, bleven maatregelen uit. In de Caraïbische politieke cultuur van cliëntelisme was het gebruikelijk om tegenslagen op te vangen door nog meer werkgelegenheid bij de overheid te scheppen. Op de kosten werd nauwelijks gelet en zo kon het financieringstekort uit de hand lopen en de staatsschuld zover stijgen dat de Antilliaanse overheid haar schulden niet meer kan betalen.

Deze problemen werden tot op zekere hoogte verhuld door de financiële steun uit Nederland: jaarlijks ontvangen de Antillen (en Aruba) zo'n 280 miljoen gulden ontwikkelingshulp. Als een kleine economie ondanks deze externe financiële bijdrage in een financiële crisis belandt, is er iets grondig mis.

DEN HAAG HEEFT bij verschillende gelegenheden geprobeerd de Antillen aan te moedigen orde op zaken te stellen, maar nooit de politieke moed gehad om door te zetten. De Tweede Kamer heeft daarop ook nooit aangedrongen. Met als gevolg dat de situatie nu onhoudbaar is geworden en Nederland zich verheugt dat het IMF bereid is het vuile werk op te knappen. Toch treft Nederland blaam voor de ontstane situatie: het heeft terwille van de politieke en emotionele gevoeligheden niet willen of niet durven ingrijpen, maar steeds weer opnieuw geld beschikbaar gesteld. De vergelijking met Suriname, waar zich soortgelijke problemen voordoen en Nederland aanzienlijke (humanitaire) hulp blijft geven zodat Suriname zich nog steeds kan onttrekken aan een aanpassingsprogramma van het IMF, ligt voor de hand. Nederland weet zich geen raad met lastige economische situaties overzee.

HET IMF WORDT vrijwel altijd te hulp geroepen als het eigenlijk te laat is en de aanpassingen des te harder aankomen. Zodra het IMF-programma aanslaat, zullen de Antillen, en daarmee ook Nederland, ondervinden dat de sanering van een economie een pijnlijk proces is. Het enige wat erop zit is doorzetten. Want terugdeinzen verergert de crisis en schuift het begin van herstel tot achter de horizon.