Onmenselijkheid op de koop toe

NORBERT FREI: De Führerstaat

288 blz., Het Spectrum 1995, vert. Frits Oomes (Der Führerstaat 1987), ƒ 39,90

De terreur van het naziregime was uniek, op grond van een unieke constellatie. Maar het kan geen kwaad erop te wijzen dat een visie op het Derde Rijk uit de ivoren toren der morele zelfgenoegzaamheid te kort schiet.

De literatuur over het Derde Rijk vult boekenkasten en men heeft de neiging zich af te vragen of er nog wel iets van wezenlijk belang over valt te zeggen en of nieuwe publikaties meer kunnen bieden dan ambachtelijke oefeningen op de vierkante meter.

Het boek van Norbert Frei pretendeert het een noch het ander, maar het is niettemin een zeer bekwame synthese van de belangrijkste recentere werken en het biedt bovendien een boeiend verhaal. Ook sluit het af met een handzame inleiding in de hele geschiedschrijving over het nationaal-socialisme, die op zichzelf alweer een stuk geschiedenis is en het wisselende perspectief van de generaties weerspiegelt. Minder duidelijk is de zin van de toegevoegde documenten; op zichzelf illustratieve stukken, waarvan de selectie echter vrij willekeurig aandoet.

Onze visie op het Derde Rijk wordt - zeker in Nederland - tot nog toe in hoge mate beheerst door de terreur en de Shoah, kortom de laatste fase, waarin het Duizendjarige rijk is uitgemond. Het waren na 1945 in de eerste plaats de wandaden die de geschiedschrijving ook over de andere aspecten aanzwengelden en legitimeerden. Ook het latere onderzoek naar technische zaken, de organisaties en de structuur van staat en partij, het functioneren van het hele systeem, het ritueel, de propaganda, puur economische kwesties, stond uiteindelijk in het teken van de afgrond achter de façade, als het verborgen fixatiepunt buiten het behandelde bestek. De belangrijkste vraag die zich dadelijk opdrong luidde 'hoe was dit mogelijk?' De laatste radicale fase van het nationaal-socialisme vormde daarbij altijd vanzelfsprekend het onderhuidse uitgangspunt.

Direct na de oorlog ging men, zoals bekend, met name in het kamp van de Geallieerden, allereerst ervan uit dat de nazi-leiders psychopatische criminelen moesten zijn, om al snel daaroverheen de these van de collectieve schuld van het Duitse volk te poneren en, nog verder in dit spoor blijvend, aan de Duitsers een afwijkende mentaliteit van kadaverdiscipline, onderdrukte agressiedrang en neiging tot gewelddadigheid toe te schrijven. Ofschoon allerminst vrij van reële belangen en politieke gezichtspunten - want wie moest de gigantische rekening betalen als de schuldigen allemaal zelfmoord hadden gepleegd of waren opgehangen? - berustte die visie toch ook op een authentieke impressie. Te goed herinnerde men zich de filmbeelden van juichende massa's, mannen en vrouwen helemaal hysterisch bij het zien van de Führer, om niet te concluderen dat het Duitse volk de nazi's dan toch maar in het zadel had geholpen en tot het bittere einde in het zadel had gelaten; en dat laatste met instemming en geestdrift, zolang het goed ging.

Vervolgens richtte het historische onderzoek zich al iets subtieler op de vraag wat er in de Duitse geschiedenis mis was gegaan; waarmee het bekende historische worteltrekken begon, dat zelfs bij Luther uitkwam. Een benadering die, op een hoger en verfijnder niveau, vanaf de jaren zestig bij een jongere generatie ingang vond en in de veel besproken 'Sonderwegthese' uitmondde; ook en vooral in de Bondsrepubliek zelf.

Aan dit enorme debat, dat tal van indrukwekkende werken van niet-Duitse en Duitse historici heeft opgeleverd, ligt een veronderstelling ten grondslag die zich helaas ten enenmale aan empirische bewijsvoering onttrekt. Het is die van een innerlijk consistente éénheid van het verschijnsel nationaal-socialisme en het Derde Rijk, waardoor het einde en de radicale fase al in de kiem (zoals de eik in de eikel) was aangelegd. Een andere visie gaat ervan uit dat alles in elk geval een diepere samenhang had, zodat men winterhulp, mega-architectuur en Gretchen-kapsel uiteindelijk niet geheel los mocht zien van de gaskamers. Beide opvattingen vinden steun in het feit dat de betrekkelijk beperkte groep figuren, die aan de top stond ook niet halverwege van persoonlijkheid verwisselde; bovenal de man die Marx, Lenin en Stalin van het nationaal-socialisme in één persoon verenigde, Adolf Hitler zelf.

Daartegenover kwam een stroming op, die achter dat onbewijsbare, in feite meta-historische axioma vraagtekens plaatste. Zij beklemtoonde het toevalselement, de inconsistentie, het chaotische dat altijd in de geschiedenis werkzaam is en zeker ook in de ontwikkeling van het Derde Rijk. Alleen onze rationalisatie achteraf en onze verklaringsdrift uit een behoefte aan morele oordeelvellingen construeren zo'n eenheid en een innerlijk voorbestemd verloop. Een theorie die uiteraard even onbewijsbaar is als de eerste. Ze heeft evenwel één voordeel doordat ze ons weten-achteraf even uitschakelt. En dat kan het antwoord op de vraag 'hoe was dit mogelijk?' beter verklaren doordat we iets dichter bij het korte-termijn-perspectief van de tijdgenoot komen, die een waaier van ontwikkelingsmogelijkheden, een toekomst in meervoud voor zich zag. Op zichzelf een voor de historicus vrij vanzelfsprekende, want echt historische methode. Ten aanzien van het nazisme werd die benadering echter altijd ietwat geblokkeerd door de morele verbijstering en de angst dat 'begrijpen' op 'verontschuldigen' neerkomt, ja dat iets dermate infaams elke verstaander besmet. Bij de ruime ervaring met terreur en massamoord in vele staten is er evenwel vandaag geen reden voor die verkramptheid waar het om het Derde Rijk gaat. Voor de tijdgenoot was Auschwitz onbekend en voor een deel van de aanhangers in de vroege jaren dertig was Hitlers antisemitisme een bijkomstige hebbelijkheid. De eerste gewelddadigheden tegen de joden stuitten velen tegen de borst, maar werden als typische uitspattingen van SA-bruten en als laatste stuiptrekkingen van de revolutionaire fase gezien. En tot de 'Kristallnacht' van 1938 speelde de uitschakeling van de joden ook inderdaad achter een scherm van nette geleidelijke legalisatie. Op die tactiek zou men in 1940 in Nederland aanvankelijk niet zo heel anders reageren.

Frei beschrijft uit de binnenoptiek hoe het regime zich in de ogen van de bevolking manifesteerde, zich ook baserend op minder gebruikte bronnen, zoals de berichten van het in Praag zetelende, uit het rijk verdreven informatiebureau van de SPD over de stemming onder de bevolking. Hij onderscheidt een fase van de vorming van het bewind van ca. 1933 tot 1935, van consolidatie in de volgende jaren en van radicalisering van 1938 af, toen zowel met de buitenlandse expansie- en oorlogskoers als met het systematische binnenlandse terreur- en vernietigingsprogram op racistische grondslag een begin werd gemaakt.

Duidelijk komt in die eerste fase naar voren dat het Hitler-regime bij zijn aantreden nog allerminst gevestigd was en voor velen de nodige vraagtekens inhield. De bekende uitbarstingen van massaal gejuich bij Hitlers volgelingen (de NSDAP beschikte begin 1933 over ca. 33 procent van de stemmen) en de snel toegenomen, uitvoerig beschreven ommezwaai binnen de financiële, industriële en vooral academische elites, mogen ons die afwachtende innerlijke reserve in brede lagen niet doen vergeten. Het eeuwige probleem is dat elk beeld op een selectie berust en dat bij een volk van (toen) zo'n 60 miljoen van alles, ook het tegengestelde voorkomt. Dat de nazi-propaganda zeer efficiënt in woord en beeld almaar de jubelende fanate aanhang vereeuwigde, heeft hier ook wel eens het nageslacht misleid. Een postuum succes voor de kleine Goebbels.

Maar het regime had terdege nog met de nodige crises te worstelen. Na het aanvankelijke elan en de overwinningsroes van de ook voor de nazi's zo onverwachte doorbraak naar de macht, volgde in 1934 een kater. Frei opent zijn verhaal met die stemming van een verbreide misère, omdat niets zo liep als men had verwacht. De vraag daarbij is wel, of hij hier niet te sterk op de berichtgeving van de geëmigreerde SPD-centrale leunt, waar de vurige wens de observaties gekleurd zal hebben. Een crisissfeer heerste echter ontegenzeggelijk. Met de bloedige dubbelklap tegen Röhms revolutionair gezinde SA-hordes en de groeiende oppositie uit het oude conservatieve kamp in juni 1934, vestigde Hitler pas zijn onbetwiste dictatuur. Maar er hing een paniekerige sfeer van wilde gok en gangsterachtige improvisaties rondom die hele actie.

Van belang voor een beter begrip van de wijze waarop het regime zijn klemmende greep op het land kreeg is de ongelijktijdigheid en ongelijksoortigheid van de nazificatie. Niet in alle sectoren van het dagelijkse leven was het na 1933 dirigisme en nationaal-socialisme wat de klok sloeg. De penetratie was voor de gewone man lange tijd onoverzichtelijk. De bewuste tolerantie op sommige gebieden, tot het einde toe, droeg volgens Frei bij aan de aanvaarding van de dictatuur. Boeken werden verbrand, auteurs en films verboden, maar het was een gering percentage van het totale aanbod van wat aan internationale literatuur, speelfilms en amusement normaal in de roulatie bleef.

De meerderheid was in twee zaken geïnteresseerd: bovenal herstel van werkgelegenheid en economie en dan ook nog herstel van Duitslands internationale aanzien. Dat laatste gold als onafscheidelijk van het eerste. Bij velen, vooral onder de jongeren, heerste diepe onvrede met het moeizaam functionerende democratische partijenstelsel en leefde het verlangen naar krachtige en duidelijke leiding.

Het is vreemd dat Frei het generatie-aspect verwaarloost, want het waren grotendeels de gedepolitiseerden onder de dertig die de nazi's aan hun verkiezingssucces hielpen. Voor de conservatieve elites stonden voorop de vervanging van de democratie door een autoritair bewind en de liquidatie van de bepalingen van Versailles. De rest van de nazi-leer zoals antisemitisme en racisme en ook de bloed en bodem-romantiek, de anti-modernistische esthetiek en het folklorisme, namen velen hier als curieuze bijzaken op de koop toe.

Het gaat altijd om de prioriteiten. Men kon het nationaal-socialisme uit verschillende motieven aanhangen. Illustratief is een opmerking uit joodse hoek: als Hitler geen antisemiet was, zouden we hem toch alleen maar verwelkomen! Dat neemt niet weg dat toen de nazi's eenmaal in de regering zaten en geen geheim maakten van hun wil om hun macht meedogenloos te gebruiken, een aardverschuiving in alle lagen plaatsvond uit opportunisme, angst, maar ook uit de oprechte overtuiging dat de successen onomstotelijk Hitlers gelijk bewezen. Zelfbedrog en zelfbehoud zijn een Siamese tweeling. Niet alleen in het Duitsland van 1933.

Uit dit verhaal wordt tevens duidelijk met welk een bekwame en tevens bezeten doelbewustheid Hitler zelf en zijn paladijnen Göring, Goebbels, Frick, Himmler en Heydrich in de eerste crisisjaren opereerden en hun concurrenten uitschakelden. Zij werden meegesleept door hun eigen energie, maar hoe men het keert of wendt: in de toepassing van wisselbaden, de vermenging van gouden beloftes en sinistere zinspelingen op onbarmhartig geweld voor wie niet meespeelde, en bovenal in de juiste timing van hun acties, betoonden zij zich superieur. Zij introduceerden een methode die volstrekt nieuw was en waartegen de oude politieke elite weerloos bleek.

Ik weet, dit kan worden uitgelegd alsof de Duitsers de eerste slachtoffers van het nazidom waren. Als ze dat waren, waren ze natuurlijk tevens hun eigen slachtoffers. Hier raken we echter het onuitputtelijke probleem van de verantwoordelijkheid van de enkeling in de moderne staat als zodanig en de ondoorzichtigheid van het apparaat. Daar kwam in Duitsland stellig bij een achterstand van actieve politieke inbreng bij de gemiddelde burger; althans vergeleken met het Westen. Het regime slaagde er juist in om Hans en Liese, en met name de jongeren, het idee te geven dat zij voor het eerst actief meededen. Het kwam tot een gedirigeerde, dus onpolitieke politisering.

Met zijn evidente successen - herstel van de werkgelegenheid (zij het door de herbewapening) en herstel van het Duitse nationale prestige - palmde Hitler vanaf 1934/35 de grote meerderheid in. De Hitler-mythe begon te werken, maar het zou bepaald onjuist zijn dat uitsluitend aan Goebbels' propaganda toe te schrijven. Dat de Duitse bevolking het als geheel beter kreeg was een onomstotelijk gegeven, evenals Hitlers diplomatieke triomfen. Werd de mening van sceptici en stille critici niet telkens door de gebeurtenissen weerlegd, met 'München' als hoogtepunt? En ofschoon de overweldigende meerderheid allerminst de oorlog wilde, leek Hitler tot 1941 opnieuw gelijk te krijgen.

Frei constateert van 1942 af - de Wende in de oorlog - een innerlijke denazificatie bij de Duitsers. De Führer-mythe verbleekte, in dof fatalisme vocht men door, aaneengesmeed door de Goebbels-propaganda (die van de geallieerde bombardementen en de capitulatie-eis profiteerde) en het gebrek aan alternatief in een totalitaire staat. Daarnaast ziet hij op het laatst bij de top een nieuw slag technocraten zoals Speer opkomen, die voor de toekomst een pragmatisch-efficiënte dictatuurvorm nastreven, ontdaan van Hitlers en Himmlers ras-mythologie. Van hieruit lopen zelfs lijnen naar de naoorlogse prestatie-mentaliteit. Theses die nieuwe gezichtspunten opleveren met betrekking tot bepaalde continuïteiten en samenhangen, ook tussen het Derde Rijk en de moderne samenleving en cultuur.

Ook als wij achteraf verbanden leggen en het nationaal-socialisme in al zijn uitingen als een eenheid opvatten, was dit van nabij voor de tijdgenoten allerminst het geval. Zij zagen veel tegenstrijdigheden en inconsistenties, die het verdere verloop onvoorspelbaar maakten. Ter verklaring van de triomfen van het nationaal-socialisme is dat een onmisbare factor. Waarmee niet is ontkend dat de nazi-leiders deels spontaan en natuurlijk, deels zeer geraffineerd en slim, en vooral niet gehinderd door enige morele rem, inspeelden op diep gelegen verlangens. Dat mengsel is eveneens een bijdrage tot de verklaring. In elk geval schiet een visie op het Derde Rijk uit de ivoren toren der morele zelfgenoegzaamheid te kort. Wat daar gebeurde was dan wel eenmalig op grond van een eenmalige constellatie, de collectieve psychische mechanismen en reacties die daarbij zichtbaar worden, zijn het niet.