Niet iedereen komt hogerop

“I am Lan-lie, but my English name is Jane.” We hebben ook al Jennifer, Diana en Justin ontmoet. Engelse namen zijn populair onder Chinese jonge mensen, vooral als ze in de toeristen-branche werken. En dat doen er veel, omdat ze het zien als de toegangspoort tot dat andere leven, waarvan ze steeds vaker een glimp opvangen via de media.

Lan-lie is onze gids in de zuidelijke stad Kunming. Ze is nu tweeëntwintig en als schoolmeisje droomde ze ervan een groot schrijfster te worden. Daarom hield ze iedere avond een verhalend dagboek bij. Van een lerares kreeg ze ter aanmoediging 'Jane Eyre' te lezen, het enige niet-Chinese boek dat ze kent. Jane werd haar heldin en ze had dus niet lang over de keuze van een Engelse naam hoeven nadenken. Van het schrijverschap is echter niets gekomen. Haar ouders hebben heel hard gewerkt - moeder in een papierfabriek, vader in een steenhouwerij - om goede opleidingen voor hun drie dochters te kunnen betalen. Haar ene zusje werkt nu op een bank, de andere is computerprogrammeur geworden en zijzelf werd onderwijzeres.

Maar in het onderwijs moet je nu eenmaal niet zijn, dan blijf je arm. Lan-lie is er dan ook weggegaan. Niet dat ze nu meer verdient, en ze maakt lange dagen, maar door het contact met in haar ogen rijke buitenlanders voelt ze zich zelf ook al een beetje rijker. Ze heeft wel een beetje last van schuldgevoel tegenover haar ouders en ze vindt het zelf ook jammer dat ze geen juffie meer is, want het werken met kleine kinderen “draagt ze in haar hart”. Ze wil daarom veel geld verdienen om voor haar vader en moeder iets terug te doen. Maar ja, nu is haar grote liefde toch een onderwijzer en nog wel één van heel arme afkomst, nog armer dan haar ouders. Dus moet ze verdienen voor twee. En ze wil ook pas trouwen als ze een huwelijksreis naar het buitenland kan betalen.

Het is van een ontroerende trouwhartigheid. Een argeloos optimisme dat we bij veel Chinese jonge mensen zagen. Ze willen zo veel, maar zal het lukken? Ze werken er zo hard voor, maar is dat voldoende?

“De jongeren hebben haast,” zegt Don McPhee van Plan International, die in China bezig is het eerste Foster Parents project op te zetten. “They want to do away with everything of the old stuff.” Heel veel ouderen willen ook wel veranderen, maar langzaam en geleidelijk. Daar zit volgens hem een belangrijke generatiekloof, die door anderen die we hebben ontmoet wordt bevestigd.

Is het alleen omdat ik bij de ouderen hoor, dat ook ik denk dat het misschien maar beter langzaam en behoedzaam kan? De kans dat je er dan voor kunt zorgen dat zo veel mogelijk mensen - jongere zowel als oudere - mee kunnen komen en van de te verwachten welvaart zullen kunnen profiteren wordt op die manier groter. Er wordt als het over China gaat naar mijn idee in Nederlandse kranten wel erg veel in lovende woorden gesproken over 'risico durven nemen','initiatief tonen' en 'voor jezelf beginnen'. En ik heb daar niets op tegen, zolang het maar niet betekent dat degenen die dat niet kunnen opbrengen en op hun plek blijven, niet de moeite waard zouden zijn. Niet iedereen is begiftigd met ondernemingslust en niet iedereen is in de gelegenheid kansen te grijpen. Want het is natuurlijk niet waar wat onroerend goed-handelaar Zhao Xijun zegt, zoals geciteerd door Floris-Jan van Luyn in deze krant (6 november): “Het is gewoon een kwestie van hard werken, dan is rijkdom voor iedereen weggelegd.”

Bovendien heeft een land niet alleen carrièremakers nodig. Tsjièn is leraar aan een Pedagogische Academie en zijn vrouw is apothekersassistent. Hij verdient 300 yuan per maand en zij 450. (Ter vergelijking: een goedkope nieuwe fiets kost 380 yuan, het schoolgeld voor hun negenjarig dochtertje is 500 yuan per jaar.) Dat zijn belangrijke beroepen voor een samenleving en zij moeten dat werk vooral ook blijven doen. Maar misschien dat een langzaamaan politiek ervoor kan zorgen dat ook zij deel kunnen gaan hebben aan de komende welvaart, evenals de bouwvakkers, straatvegers, buschauffeurs en al die anderen die nu voor een heel laag loon het leven draaiend houden.

Soms bekruipt je het gevoel dat velen in Nederland zijn uitgekeken op de verzorgingsstaat en dat daardoor de bewondering groeit voor de snelle jongens die het zelf maken. Maar er is ook nog zoiets waardevols als solidariteit. Misschien dat de Chinese regering - hoe ondemocratisch ook - dat toch beter inschat dan degenen die ter plaatse door het kapitalisme werden aangestoken.

De nieuwe rijken hebben snel de kleine openingen in de planeconomie gezien en benut. Wat gebeurt er in zo'n immens land als er te veel achterblijvers ontstaan, die slechts kunnen toekijken? Die nu nog, net als Lan-lie, vol optimisme en goede moed werken aan een betere toekomst, maar daar niet in slagen. Niet omdat ze lui zijn, maar omdat ze de begaafdheid missen om te kunnen streven naar hogerop?

Er is nu in China al een tweedeling van de mensen die het voor mekaar hebben en de anderen. Iedereen die het weten kan, zegt het en iedereen die rondkijkt, ziet het. Symbolisch zijn voor mij de twee jonge, Chinese vrouwen - leeftijdgenoten van Lan-lie - die in een witte Mercedes door een volle marktstraat rijden, luid toeterend om voetgangers van de weg te krijgen. Ter verontschuldiging kan hooguit dienen dat ze het misschien hebben afgekeken van de autoriteiten, die dat ook gewend zijn te doen. Iedere buitenlandse delegatie wordt bovendien rondgereden in auto's die vooraf worden gegaan door politie-escorte met sirene en rode vlag, om het gepeupel van de straat te vegen. Het moet voor sommige gasten een gênante ervaring zijn. “De gezichten die mensen trekken als ze naar de kant worden gecommandeerd!”, schreef Noortje van Oostveen in een reisverslag voor NK Magazine. En inderdaad, zo heb ik waarschijnlijk ook gekeken.