Column

Lek ratelbandje

Alle voetballiefhebbers hebben Ratelband gezien en wees eerlijk: het was aandoenlijk. Zo'n rennende, radeloze man door De Kuip die probeert het publiek op te zwepen. Het was alles: moedig, zielig, verhelderend en indrukwekkend droef. We zijn met z'n allen dood- en doodziek, leger dan leeg, opper dan op en niets kon deze situatie beter illustreren dan de rennende charlatan met zijn oranje sjaaltje.

Ik moest heel erg denken aan de ex-vrouw van Emiel. Zij keek ook en werd voor de zoveelste keer overtuigd dat ze toen de juiste beslissing heeft genomen. Ze zag hem zonder geluid, haar hele huwelijk passeerde de revue: van hem heeft ze kinderen, met deze man heeft ze vakanties en kerstdinertjes gedeeld en opeens werd ze overvallen door een oeverloze huilbui. Ik moest heel erg denken aan de oude mevrouw Ratelband. De schat zit licht in de war in het bejaardenhuis, legt een klaverjasje met een stel medebewoners en hoort opeens haar zoon over de afdeling schallen. Ze schuifelt richting het toestel en ziet hem door het beeld draven. Ze is zo alert op haar dementie en belt gauw haar dochter. “Lieverd, zie ik het goed? Is dat onze Emiel? Wat is er met hem? Ben ik in de war? Is het 'm echt? Zeg me dat het niet zo is! Zie ik nu dingen die niet waar zijn? Moet ik nu naar een andere afdeling?”

De dochter stelt de oude vrouw gerust en neemt zich voor toch eens een familieberaad bijeen te roepen. Ze moeten Emiel vragen om dit niet meer te doen zolang mamma nog leeft. Het oudje schaamt zich dood in het tehuis en ziet het als een gefaalde opvoeding.

Zijn broers hebben zich bij de situatie neergelegd, als zij zich aan iemand voorstellen slikken ze hun achternaam in, zodat ze niet hoeven te antwoorden op de vraag “Bent u de broer van?” De een heeft uit voorzorg een ander montuur genomen en de oudste is overgegaan op lenzen.

En Emiel zelf? Emiel is losser dan los, heeft twee telefoons in zijn Bentley, woont in België en weet natuurlijk zelf, beter dan wie ook, dat-ie handelaar in lucht is. Ongebakken lucht. Soms moet hij er verschrikkelijk hard om lachen, maar veel vaker springen de tranen in zijn ogen. Hij ziet als geen ander hoe ziek we allemaal zijn. Men denkt een griepje onder de leden te hebben, maar het is kanker, die elk moment kan exploderen. Emiel weet het. Hij vult zijn zakken met schreeuwen tegen muisgrijze KPN-managers, ordinaire makelaars en sneue directeuren. Mannen die vijf minuten opveren, denken dat ze helemaal niet die lul zijn die ze dachten te zijn om later in een dieper gat dan ooit te lazeren en zich de grootste eikel van de zaak te voelen. Emiel is niet dom, hij ziet ze dag in dag uit en weet als geen ander hoe door en door ziek we zijn. Hij kreunt zijn loze Tsjakka's in sporthallen, congreszalen en evenementenpaleizen, maar kan 's avonds laat op de hotelkamer zichzelf nog amper oppeppen. Weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. Hij weet het: iedereen is gek, volslagen in de war, niet meer goed te krijgen. We zijn aan het einde van de eeuw, impotenter dan ooit en Emiel belt naar zijn oude moeder en huilt zachtjes: “Mamma, wil je nog een keer jachtschotel maken? Ik wil zo graag de smaak van toen alles nog gewoon was.”