'Ik neem naar toernooien liever boeken mee, die praten niet zo veel'

Achter de Amerikanen Pete Sampras en Andre Agassi, sluit THOMAS MUSTER dit jaar af als de beste Europeaan op de wereldranglijst. De 28-jarige Oostenrijker won dit seizoen twaalf tennistoernooien, met als belangrijkste zege zijn succes op Roland Garros. Op gravel bleef hij veertig partijen lang ongeslagen. “Ik sta niet op de baan om de aardige jongen uit te hangen.”

Thomas Muster heeft lang moeten wachten. Boris Becker en Michael Chang wonnen hun eerste grote titel op hun zeventiende en Pete Sampras op zijn negentiende. Muster slaagde er pas dit jaar in zich definitief te onderscheiden van de immer uitdijende groep tennissers die een toernooi winnen op de ATP-tour.

“Door mijn zege op Roland Garros ben ik in een hogere categorie terecht gekomen”, zei Muster deze week bij het ATP-wereldkampioenschap in Frankfurt. “Je kan nog zoveel toernooien winnen, maar als je niet tenminste één grand-slamtoernooi hebt gewonnen, zal je nooit meer zijn dan een goede middenklasse-speler.”

Muster is 1.80 meter lang en weegt 75 kilo. Hij verdiende meer dan tien miljoen gulden prijzengeld en waarschijnlijk het dubbele aan startgelden en reclame-inkomsten. Hij is zelfverzekerd, arrogant, eigenwijs en heeft geen last van valse bescheidenheid. Het maakt de zoon van een adjudant uit het Oostenrijkse leger niet populair onder zijn collega's. Wat hem niets deert. Hij doet wat hij moet doen om te winnen, het enige dat telt in de harde wereld van de topsport.

En hij weet wat hij wil. Terwijl de andere deelnemers aan het toernooi in Frankfurt hun laatste krachten uit hun lichaam persten om zich te plaatsen voor de halve finales, begon Muster twee weken geleden al aan zijn winter-training. Op de snelle indoorbaan in de Festhalle had hij deze week minder dan vijftig procent kans het toernooi te winnen. Omdat hij in zijn groepswedstrijden tegen Michael Chang en Jim Courier halverwege de tweede set verslapte, werd die kans al snel gereduceerd tot nul procent.

“Ik heb zes weken nodig om mijn lichaam op de laden voor volgend jaar. Het seizoen begint voor mij op 1 januari, dus ik moest wel beginnen met de voorbereiding. Ik train deze dagen zes tot zeven uur per dag, waardoor ik in wedstrijden na anderhalf uur conditie tekort kom en mijn concentratie kwijt raak. Ik wil presteren op de Open Australische kampioenschappen, het eerste grand-slamtoernooi van volgend jaar. Als ik ooit nummer één wil worden op de ranglijst, moet ik in het voorjaar mijn kans grijpen, niet nu.”

Ondanks de nederlagen deze week, kijkt hij vol tevredenheid terug op het afgelopen seizoen. “Ik heb een grand-slamtoernooi gewonnen en ik ben, met een derde plaats op de ranglijst, de beste Europeaan. Mijn prestaties zijn niet te vergelijken met die van spelers als Björn Borg. Hij won Wimbledon vijf keer en Roland Garros zes keer. Maar met mijn opeenvolgende overwinningen in de graveltoernooien van Monaco, Rome en Parijs heb ik iets gedaan wat tot nu toe alleen Ilie Nastase was gelukt. En door twaalf toernooien te winnen, heb ik in ieder geval dit jaar gepresteerd wat Borg en John McEnroe een aantal jaren achter elkaar deden.”

Muster werd geboren op 2 oktober 1967 in Leibnitz. Hij was al snel verslaafd aan sport. Hij voetbalde, stond op ski's en tenniste. Op aandrang van zijn vader koos hij voor tennis. “Als ik zou mislukken in tennis, kon ik altijd nog gaan voetballen of skiën. Tennis was bovendien de goedkoopste oplossing, de minst gevaarlijke en we dachten dat ik voor tennis het minste zou hoeven te reizen. Uiteindelijk bleek dat ik iedere dag voor de training naar Graz moest. Uren per dag zat ik in de trein mijn huiswerk te maken.”

Op zijn vijftiende verhuisde hij naar een internaat in Wenen. Hij was de kleinste, sprak een provinciaals dialect en werd gepest door de jongens uit de grote stad. Het maakte hem hard. Urenlang stond hij heimelijk in zijn eentje tegen een muur te oefenen. De trainingen waren een bevrijding. Daar kon hij laten zien dat hij beter was.

Het talent van Muster ontwikkelde zich gestaag. Hij werd professional in 1985 en leek in 1989 door te breken naar de top. Maar de avond dat hij zich had geplaatst voor de finale van het toernooi in Key Biscayne, werd hij 's avonds aangereden door een dronken automobilist. Zijn linkerknie was verbrijzeld, zijn carrière leek voorbij.

Met hulp van een door zijn manager/coach Ronnie Leitgeb ontworpen ligbank, begon Muster na drie weken er te trainen met het gips nog om zijn been. Binnen zes maanden stond hij op de baan. “Dit jaar heb ik bewezen dat ik ook in 1989 al de top-vijf had kunnen bereiken. Het heeft me zes jaar gekost om terug te keren naar waar ik was. Aan de andere kant hebben de pieken en dalen in mijn carrière me ook geen kwaad gedaan. Ze hebben mijn persoonlijkheid gevormd. Ik ben niet meer veranderd door mijn zege in Parijs. Ik was al volwassen.”

Slechts één keer heeft hij de afgelopen jaren getwijfeld aan de zin van het bestaan. In 1991 vroeg hij zich af op de opofferingen het wel waard waren? Of geld en roem de eenzaamheid en het gebrek aan kameraadschap wel vergoedde? Hij zoop zich avondenlang een stuk in zijn kraag en rookte een pakje Marlboro per dag. Op de bank van een psychiater, de vader van zijn coach, ontdekte hij dat hij leed aan een lichte vorm van leesblindheid. Bewust van de oorzaak van zijn problemen, leerde hij er mee leven. Hij slaagde er in tennis te beschouwen als een prachtig beroep, niet meer als de verstoorder van zijn gewone leven.

Vier jaar geleden begon hij ook rond te kijken buiten zijn sport. Hij heeft geen vrienden binnen het circuit en wordt op toernooien niet omringd door een peloton slippendragers. “Ik neem liever boeken mee, die praten niet zo veel.” Hij reist de wereld rond met alleen zijn coach en wordt slechts af en toe vergezeld door zijn vriendin. Maar hij vond in 1991 twee uitlaatkleppen in schilderen en muziek maken. “Ik kan een beetje drummen, al is het meer lawaai dan muziek wat ik maak. En ook voor schilderen heb ik weinig tijd, ik heb hooguit twintig schilderijen af. Ik begon vier jaar geleden. Mijn coach, die een managementfirma heeft, organiseerde een tentoonstelling voor jonge Oostenrijkse kunstenaars. Die heeft me geïnspireerd. Tijdens toernooien is er helaas weinig tijd om musea te bezoeken. Maar het Louvre, het Museum of Modern Art in New York en de Art Gallery in Melbourne heb ik natuurlijk gezien. Mijn favoriete schilders zijn Kandinsky en Miro.” Muster voelt niet de behoefte een Kandinsky aan zijn muur te hebben. “Een beetje duur. Nee, ik hoef er geen te bezitten. Het gaat me er om dat hij er ooit in is geslaagd zoiets moois te maken, waar anderen van kunnen genieten.”

Kunst vind hij in zoverre te vergelijken met topsport, dat het een puur individualistische aangelegenheid is. Verder wil hij niet gaan. “Op de baan voel ik me geen kunstenaar. Mijn speelstijl bezit ook weinig esthetische schoonheid. Ik ben een werker, een zwoeger. Ik ben agressief op de baan, maar rustig daarbuiten. En eerlijk. Als ik iets moet doen, bijvoorbeeld zakelijk, dan zeg ik waar het op staat. Daardoor heb ik misschien weinig vrienden, maar ik heb liever dat iedereen weet hoe ik ben en wat ik ben. Ik leef ordelijk en ik ben precies. In mijn appartement ligt alles keurig op zijn plaats. Als je me belt en vraagt wat er gebeurde op 2 maart 1986, kan ik meteen mijn agenda pakken en het antwoord opzoeken.”

Musters grote kracht ligt op gravel. Door zijn extreme forehand-greep, waarbij hij tijdens de slag het blad vrijwel horizontaal houdt, heeft hij grote moeite met laag opstuitende ballen. Op het gras van Wimbledon verloor hij zeven keer in de eerste ronde. Dit jaar deed hij niet eens mee. Volgend jaar wel, heeft hij beloofd. Hij is al op zoek naar een ervaren coach die hem kan inwijden in de geheimen. Tegelijkertijd geneert hij zich niet grastennis af te doen als een minderwaardige spelvorm. Een partij met enkel services en volley's kan hem niet opwinden. Alleen op gravel komen volgens Muster alle facetten van het spel aan de orde: lopen, werken en strijden.

Het stoort hem daarbij dat zijn vechtlust en zijn psychologische oorlogsvoering op de baan regelmatig worden afgeschilderd als onsportief gedrag. Hij gaat door voor een van de moeilijkste tegenstanders om te verslaan. “Mijn mentale kracht op de baan, mijn vechtlust en concentratievermogen zijn het resultaat van tien, twaalf jaar hard werken. Dat leer je niet in een paar minuten of een paar uur. Ik heb van jongs af aan boeken gelezen over het onderwerp. Ik heb mijn leven er naar ingericht. Je moet jezelf regels voorschrijven en je daar aan houden. Ik sta niet op de baan om de aardige jongen uit te hangen. Ik wil mijn spel niet zo aanpassen, dat het mijn tegenstanders bevalt. Om die een plezier te doen, zou ik elke wedstrijd van ze moeten verliezen.

“Ik wil me na een wedstrijd nooit hoeven afvragen waarom ik niet harder heb gewerkt, meer heb gedaan. Ik ga tot het uiterste. Maar ik speel altijd volgens de regels. Ik heb in mijn hele carrière slechts drie waarschuwingen gehad van scheidsrechters. Als je dat vergelijkt met andere spelers, ben ik waarschijnlijk juist de meest eerlijke speler die er is. Maar je moet begrijpen dat tennis niet alleen draait om een forehand en backhand. Het is een sport die je met je hersens speelt, met een juiste instelling.

“Om met de juiste agressieve houding de baan op te komen, hoef ik geen rood vlees te eten of een foto van mijn tegenstander boven mijn bed te hangen. We spelen om punten, om geld, om prestige, om alles. In de tenniswereld telt alleen wat je bereikt en hoe je wint. Als je wint, ben je een goede tennisser en een goed mens. Als je goed speelt en rijk bent, zie je er ook goed uit. Als je verliest, ben je een slechte speler en een slecht mens. Dan kan je proberen met leuke kleren de aandacht te trekken, maar zal niemand op je letten. Wat ik hier beschrijf, is niet hoe ik er over denk. Maar wel hoe het werkt in de tenniswereld.”