Hoeren

SIETSKE ALTINK: Handel in hartstocht

214 blz., geïll., Alpha (Walburg Pers) 1995, ƒ 39,50

De Nederlandse overheid is een pooier. Zij heft belasting op de inkomsten van prostituées en seksclubs. Ook maakt zij, zoals de wet het zegt, een 'gewoonte van het bevorderen van ontucht door anderen met derden': zij geeft gelegenheid. Dat doet zij door het aanwijzen van 'tippelzones' en het inrichten van 'afwerkplekken'. Een gemeente als Amsterdam bouwt zelfs stadshuizen met aan de straatkant etalages voor prostituées, en op de hogere verdiepingen eengezinswoningen.

Het is wonderlijk hoe weinig over dat soort zaken wordt gediscussieerd. Debatten over prostitutie zijn er alleen als mensen klagen over hoeren voor hun huisdeur, waarna de gemeente weer plannen maakt om de ongelukkige vrouwen en hun louche aanhang naar een nog afgelegener plek te verbannen. De schrijfster van dit boek meldt dat volgend jaar het bordeelverbod zal worden afgeschaft; de al lang bestaande situatie zal zo legaal worden.

Daarmee is de hypocrisie van vroeger, waarbij nette mensen deden alsof prostitutie niet bestond, dan definitief verkeerd in een nieuwe hypocrisie: namelijk dat hoer een vak is als elk ander, en prostitutie iets heel gewoons.

Ook de schrijfster van dit boek, een rondgang langs allerlei aspecten van het prostitutiebedrijf in Nederland, is die laatste mening toegedaan. Zij heeft het graag over 'sekswerksters'. Zij is vóór hoerenvakbonden en openheid, en tegen uitbuiting, criminaliteit en wantoestanden. Die nare dingen lijkt zij te wijten aan boosaardige individuen, en misschien het gebrek aan erkenning van de prostituée; het idee dat iets in het vak zelf die dingen meebrengt kom je in haar boek niet tegen.

De wens om prostitutie als iets heel gewoons te zien leidt soms tot ongerijmdheden. Zo opent het hoofdstuk over 'Prostituées, hun mannen en klanten' met een opsomming van misplaatste vooroordelen als zouden hoeren zielig zijn, en gestoord in hun seksuele ontwikkeling. Op de volgende bladzij al staat dat van een groep van zestig prostituées een kwart als kind seksueel was misbruikt en nog eens een kwart was mishandeld, terwijl een derde nare ervaringen had met pleeggezinnen of tehuizen.

In het boek wordt geschetst hoe de prostitutie de laatste jaren in de praktijk door de overheid wordt bejegend. Al komt de lezer hier van alles te weten, toch krijgt hij geen duidelijk overzicht van wat op het ogenblik precies wel en wat niet mag, of hoe het bijvoorbeeld zit met die belastingplicht. Daarna belicht een tiental hoofdstukken diverse aspecten van het 'leven', van raamprostitutie tot mannelijke hoeren ('Bisnisjongens'). De schrijfster is duidelijk vertrouwd met de materie, en thuis in de wereld van de hedendaagse hulpverleners. Alles bij elkaar ontstaat dus wel een beeld van de wereld van de prostitutie; en het is geen beeld waar je vrolijk van wordt. Vooral in de hoofdstukken over buitenlandse prostituées in Nederland en over vrouwenhandel worden schrijnende toestanden beschreven.

Het ongelukkige is dat Altink er met haar fletse toon en rommelige schrijftrant niet in slaagt een indringend, samenhangend betoog op te bouwen. Haar boek lijkt opgebouwd uit losse stukjes journalistiek en veel te vaak worden zegslieden sprekend ingevoerd. Dat vult wel lekker, maar het schiet niet op.

Misschien moet je een welmenend boek waarin het niet om de literaire waarde gaat, niet kritiseren omdat het onhandig geschreven is. Maar het zou zo prettig zijn geweest als hier voor de velen die er nooit mee te maken hebben een overtuigend beeld van lief en leed, waarheid en onzin in de prostitutie was ontstaan. Wat statistieken erbij, en het was een heel nuttig boek geworden; met een strenge redacteur had Altink dat misschien wel kunnen produceren.

De algemenere, ethische vraag naar de maatschappelijke acceptatie van prostitutie valt buiten dit boek. Daarvan moeten we gewoon hopen dat die in de golfslag van het 'openbaar debat' eens boven komt drijven.