Het geperverteerde Japanse zelfbeeld

JOHN DOWER: Japan in War and Peace. Essays on history, race and culture

368 blz., geïll., HarperCollins 1995, ƒ 56,70

Tweederangs burgers, zo voelen de bewoners van het Japanse eiland Okinawa zich al decennia lang. Kortgeleden kwamen de opgekropte frustraties tot uiting in een massale protestdemonstratie. Mikpunt was de Amerikaanse 'bezettersmentaliteit' op het eiland, waar de grootste militaire basis van de Verenigde Staten in de Pacific ligt. Directe aanleiding was de verkrachting van een schoolmeisje door GI's. Maar achter het anti-Amerikanisme van de betogers gaat een gegriefdheid schuil die veel dieper zit. Die betreft het verraad van Tokio.

De Amerikaan John Dower, hoogleraar internationale betrekkingen aan het Massachusetts Institute of Technology, memoreert dat verraad in zijn nieuwste boek Japan in War and Peace, dat een bundeling is van eerder gepubliceerde, maar geactualiseerde essays. Okinawa, dat na de Japanse nederlaag al intens was gemilitariseerd door de VS, werd door Tokio in het diepste geheim gebruikt als wisselgeld om de Amerikanen te bewegen een bilateraal vredesakkoord te sluiten. In ruil voor een snelle beëindiging van de Amerikaanse bezetting van de rest van Japan, gaf de Japanse regering de soevereiniteit van Okinawa prijs. De heersende kringen in Tokio deden weinig of niets om dat te verhinderen. Integendeel, tot opoffering van Okinawa en zijn bevolking waren zij maar wat graag bereid. En al was de keizer van zijn macht ontdaan en werd hij verondersteld voortaan symbolisch en a-politiek te zijn, de angst de troon alsnog te verliezen dreef hem en zijn hofhouding tot machinaties achter de schermen om de VS gunstig te stemmen. Een vierhonderd kilometer lange archipel met als kern Okinawa werd door Tokio verkwanseld.

Broeierig

Ooit was Okinawa onafhankelijk. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw dienden de koningen van de archipel, die zich toen nog uitstrekte van Taiwan tot Kyushu, twee meesters. In naam de Chinese keizer bij wie ze geliefd waren om hun voorkomendheid, in feite de repressieve clan van Satsuma. Deze clan op Kyushu sloot met een rivaliserende, maar even perifere clan in Japan een monsterverbond dat in 1867 de shogun in Edo, het latere Tokio, verdreef. Een jaar later hadden de clanleiders, begin dertigers nog, de Japanse keizer in ere hersteld en begonnen ze in een ademstokkend tempo aan de verwesterlijking van Japan, dat de shoguns bijna 250 jaar lang van de wereld hadden afgeschermd. In 1879 zetten de nieuwe machthebbers de laatste koning van Okinawa af en annexeerden ze het eilandenrijk. Protesten van China, dat ook aanspraak maakte op het gebied, werden in 1895 definitief gesmoord door de Japanse overwinning op China. Okinawa was Japans geworden.

Wat dat betekende bleek later, tussen april en juli 1945. Bij de slag om Okinawa sneuvelden 50.000 Amerikaanse soldaten en 110.000 Japanse soldaten. Maar de meeste van de 150.000 inwoners van Okinawa die werden gedood in het kruisvuur van beide legers werden vermoord of tot zelfmoord aangezet door het keizerlijke leger.

Het gevoel onderdrukt te worden is de bevolking van Okinawa nog eens ingeprent door de Amerikaanse bezetting tot 1972 en het voortbestaan van de grote Amerikaanse basis daarna. Op geen overzeese basis van de VS is de geweldadigheid zo groot als op Okinawa, dat deel uitmaakt van de veiligste democratie ter wereld. Okinawa heeft reden de 'bezettersmentaliteit' van de Amerikanen te hekelen, te meer daar de rest van Japan zich om Okinawa niet bekommert. Elders in Japan wekt de verkrachting door de GI's hooguit verontwaardiging, waarbij het schoolmeisje fungeert als ontluisterend zinnebeeld van de broeierige verstandhouding tussen Amerika en Japan.

Slogans

Over die verstandhouding, die met Pearl Harbor begon, maar die over en weer veel dieper geworteld is, heeft Dower boeiende essays geschreven. Bijvoorbeeld over het klassieke zelfbeeld van de kleine krijgselites dat in de jaren dertig en veertig werd geperverteerd tot 'honderd miljoen harten die slaan als één' om de Amerikaanse demon de baas te worden. Een kunstmatig zelfbeeld van een zuiver, homogeen, harmonieus en superieur volk, dat niettemin al tijdens de oorlog werd verscheurd door intense conflicten. Een bevolking die over elkaar heen vallende makers van slogans wanhopig tot een eenheid, tot een ras probeerden te smeden, het Yamato-ras. In één Japanse publikatie uit 1989 telde Dower al 240 bladzijden met slogans, gemiddeld vijftien tot twintig per pagina.

In deze Japanse ideologie, dit complex aan vooroordelen, is zelfverheffing de norm. De buitenwereld wordt als het ware gedepersonaliseerd en gedehumaniseerd. Heel mooi beschrijft Dower dat aan de hand van de Japanse oorlogsfilms, waarin de vijand abstract is, het waarom van de oorlog nauwelijks wordt uitgelegd, de Japanse held onschuldig en de grens tussen nederlaag en overwinning vloeiend is. Zelfs sporen van humanisme en pacifisme zijn te zien in die films, waarvan de kunstzinnige kwaliteit door Amerikaanse filmmakers als 'onverslaanbaar' werd beschouwd. Oorlog zelf is daarin de ultieme vijand. Vijanden komen en gaan, als natuurrampen, maar ze gaan alleen als de Japanse geest onverzettelijk is. Het is perverse propaganda, waarin geen individuele of collectieve verantwoordelijkheid geldt en het eigen lijden wel, maar dat van de tegenstander niet in beeld wordt gebracht. De ontpersoonlijking maakt het doden makkelijker.

Van het geperverteerde Japanse zelfbeeld zijn in het hedendaagse Japan nog de sporen terug te vinden, bijvoorbeeld in de schier eindeloze lectuur over het 'Japan-zijn', die in de jaren tachtig haar hoogtepunt vond. Steeds komt daarin de vraag aan de orde: wat maakt Japan en de Japanners anders dan alle andere landen, rassen, culturen, kortom: wat maakt Japan uniek? De creatieve zelfdestructie, de drijvende kracht achter de opmars van Japan als economische supermacht, heeft volgens Dower deze zoektocht naar zekerheid, dit nationale zelfonderzoek bewerkstelligd, zoals dat in het Westen mutatis mutandis gebeurt na het einde van de Koude Oorlog.

Tegenover de zelfverheffing in de Japanse ideologie (lees: het Japanse nationalisme) staat volgens Dower als westerse equivalent het denigreren van vreemde culturen. Daarbij is in Amerika dankbaar gebruik gemaakt van het geperveerteerde Japanse zelfbeeld, dat leidende kringen deed constateren dat de Japanners een kinderlijk volk (van kleine mensen) waren, geremd in zijn ontwikkeling, psychotisch, onvoorspelbaar, emotioneel instabiel, lichtelijk hysterisch, intuïtief, niet rationeel: kortom: vrouwelijk. De confuciaanse werkethiek was onvergelijkbaar met de protestantse werkethiek, want Japanners waren als mieren en gedroegen zich als een kuddevolk - volgens Dowers sarcastische commentaar in gewoon Amerikaans: teamspirit. Als enig gunstig kenmerk werd een 'super-rationele kant' beschouwd, Japan als superman, maar die was onverklaarbaar en dus weer alarmerend.

Atoombom

Hoe deze vooroordelen de verstandhouding tussen Japan en Amerika telkens bepalen, legt Dower uit aan de hand van een fraai voorbeeld. Op 7 januari 1978 meldde de New York Times op zijn voorpagina dat Japanse gegevens aantonen dat Tokio tijdens de oorlog probeerde een atoombom te maken. Ook de Washington Post meldde het die dag. Beide kranten beriepen zich op een komend artikel in Science van de hand van een redactrice, die Japan ervan beschuldigde het project al die jaren verzwegen te hebben, maar intussen wel de houding aannam van slachtoffer van twee atoombommen. Wat zij verzweeg was dat alle bronnen waarop zij zich baseerde al jaren lang openbaar waren, ook in het Engels. Ingezonden brieven van Amerikaanse wetenschapsbeoefenaren die tegen de suggestieve publikaties protesteerden, werden in de twee Amerikaanse kranten niet geplaatst.

Dower beschrijft vervolgens in extenso de feitelijke stand van het Japanse atoomonderzoek. Dat was een wereldvreemd ratjetoe, waarbij onderzoekers soms ontheffing vroegen van het distributiesysteem (“Kunnen we wat extra suiker krijgen voor het maken van een atoombom”). Na de oorlog, nog voordat de Amerikaanse bezetter kwam, heeft Tokio geprobeerd materiaal te vernietigen. Maar veel bleef gespaard, omdat het onderzoek chaotisch en gespreid over Japan geschiedde en het niet mogelijk was al het materiaal snel te achterhalen.

Zo er al sprak was van een cover up, constateert Dower, dan om een tragikomedie te verzwijgen. Dower over deze 'Gele Gevaar-journalistiek': “Onbekende talen en maatschappijen zijn op zichzelf geheimen voor hen die ze niet kennen.”