Geschiedenis als zangerig gevoel

JOHAN HUIZINGA: De taak der cultuurgeschiedenis

Samengesteld, verzorgd en van een nawoord voorzien

door W.E. Krul

349 blz., Historische Uitgeverij 1995, ƒ 45,-

Op 4 november 1905 aanvaardde de jonge en onbekende hoogleraar Johan Huizinga zijn leerstoel Geschiedenis aan de Universiteit van Groningen met een voordracht over Het aesthetisch bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen. Niemand zal zeggen dat de inaugurele rede veel beroering wekte. Het inzicht dat de waarneming van het historische zich laat uitdrukken “als een gezicht op, wellicht beter nog een evocatie van beelden”, die de directheid hebben van een “zintuiglijke ervaring”, en dus niet tot het domein van de exacte wetenschap maar tot dat van het esthetische behoorden, klonk destijds niet schokkend. Zeker niet voor wie kennis had genomen van de gedachten van de toen invloedrijke Duitse filosofen Heinrich Rickert en Wilhelm Windelband.

Huizinga was zelf ook niet erg tevreden over de rede, die hij beschreef als “rijkelijk lang en zwaar uitgevallen”, zodat hij zijn toehoorders “geducht verveelde”. In feite was hij ook maar zijdelings geïnteresseerd in geschiedfilosofie, want die “leidt af van het eigenlijke werk van de historicus”. Desalniettemin zou Huizinga nadien met enige regelmaat terugkomen op aard en functie van de geschiedenis, van geschiedkundige kennis en van de 'historische sensatie'. Waarschijnlijk is de bekendste vrucht van die overpeinzingen zijn stelling “Geschiedenis is de geestelijke vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden”, die hij in 1929 presenteerde in zijn lezing 'Over een definitie van het begrip geschiedenis'.

Onlangs zijn alle geschiedtheoretische beschouwingen van Neerlands befaamdste historicus bijeengebracht en voorzien van een zeer uitvoerig nawoord door de Groningse Huizinga-kenner W.E. Krul onder de titel De taak der cultuurgeschiedenis. In deze uitgave is de spelling aangepast, zijn Huizinga's noten stuk voor stuk gecontroleerd en zijn evidente vergissingen verbeterd. Kruls nabetrachting van honderd pagina's is uitputtend en meer dan dat. Wat dit alles betreft, is het een bewonderenswaardige, bijna exegetische uitgave van stukken die sinds hun opname in het Verzameld Werk in 1950 niet meer zo handzaam bijeenstonden.

Toch komt bij lezing onwillekeurig de gedachte naar voren dat Huizinga misschien wel gelijk had toen hij opmerkte: “Mijn geest neigde in het algemeen niet tot problemen van theoretische aard.” Veelal betreft het hier essayistische gelegenheidsvoordrachten die weliswaar elegant zijn gesteld, maar niet tot de kern van Huizinga's oeuvre gerekend kunnen worden. De betogen die wel verder willen reiken, zoals 'De taak der cultuurgeschiedenis' en 'De wetenschap der geschiedenis' kunnen die ambitie voor de huidige lezer niet meer waarmaken.

Huizinga's geschiedtheoretische werk heeft onder de generatie na hem weinig enthousiasme weten te wekken. Velen beschouwden de verhandelingen zelfs als 'vage notities', zoals H.A. Enno van Gelder dat uitdrukte. Pas de laatste jaren is de belangstelling weer enigszins groeiende, vooral onder postmoderne geschiedfilosofen die 'historische ervaring', 'geschiedkundige representaties', en het 'esthetische moment' weer als kernbegrippen van de geschiedenis willen zien. Daarnaast telt evenzeer dat Huizinga's prestige zelden zo onaantastbaar geweest als nu - juist deze dagen is er in Maison Descartes te Amsterdam weer een Huizinga-congres. In het Historisch Nieuwsblad werd onlangs zelfs gesproken van een “Huizinga-cultus, die alle trekken van een verlammende voorvaderverering begint aan te nemen”.

Misverstand

In dat perspectief kan deze bundel misschien wel dienen als een onbedoeld middel tegen die dreigende verlamming. Huizinga's benadering van de geschiedenis paste in zijn tijd vol neokantiaanse sentimenten, maar is geen geschiedfilosofie waarmee men uit de voeten kan. Zijn overtuiging dat de historicus een 'esthetische aandoening' ondergaat van het verleden (“geen religieuze aandoening, geen natuurhuivering, geen metaphysisch erkennen, en toch een figuur uit deze rei”), en bij zijn bezigheden balanceert tussen verbeelden en weten, tussen voelen (“een niet geheel herleidbaar contact met het verleden”) en geschiedkundige kennis, moge verheven klinken, maar wat het betekent, blijft ten enenmale onduidelijk.

Het valt te vrezen dat de meeste historici helemaal geen 'zangerig gevoel' hebben, “even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording”, noch te maken krijgen met ”de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie”. En als ze deze gevoelens wel hebben, berust zulks op het misverstand dat historische kennis van een andere, hogere orde is dan gewone kennis. In werkelijkheid proberen historici niets meer of minder dan zo juist mogelijke uitspraken over het verleden te doen. Hun gereedschap daarbij bestaat uit argumenten, en bij het gemis daaraan vallen ze soms door de mand. De geschiedkundige discipline is zo weinig anders dan beschaafd (vaak te beschaafd) geredekavel dat zich, onbeholpen en strompelend misschien, langs lijnen van overtuigingskracht voortbeweegt.

De 'historische sensatie' van Huizinga heeft niets te maken met 'het eigenlijke moment der historiekennis', zoals hij meende. Als er al sprake is van een 'eigenlijk moment der historiekennis', is dat pas aan de orde in de arena van het 'debat zonder einde', om het beknopte maar volstrekt afdoende geschiedfilosofisch inzicht van Pieter Geyl aan te halen.