Europese Unie heeft 3,6 mld gulden gegeven aan 2.000 projecten in GOS; Zakendoen in Wit-Rusland is als 'zwemmen in melasse'

Nederlandse bedrijfsadviseurs helpen met Europees geld staatsbedrijven in Wit-Rusland met de omvorming tot commerciële ondernemingen. Het gaat nog moeizaam, vooral met voormalige defensie-experts. “Je wordt als indringer beschouwd”.

AMERSFOORT, 18 NOV. Toen de Sovjet-Unie nog bestond, zat Wit-Rusland in de technische voorhoede van de communistische wereld. In het land waren vele grote bedrijven gevestigd die hoogwaardige elektronica maakten voor het Rode Leger. Maar nu dat leger zijn ideologie kwijt is en nauwelijks meer vijanden heeft, is het met de Witrussische koppositie gedaan. De bedrijven werken gemiddeld ruim onder de helft van hun capaciteit.

In 1991 riep de Europese Unie een fonds in het leven dat de omvorming van deze staatsbedrijven tot commerciële ondernemingen mogelijk moest maken. Dit zogeheten Tacis Programma heeft tot vorig jaar bijna 1,8 miljard ecu (3,6 miljard gulden) uitgekeerd aan tweeduizend conversieprojecten in de oude Sovjet-republieken en Mongolië. Dit najaar kwam daar 6,5 miljoen gulden bij voor een project in Wit-Rusland, dat geleid wordt door de Nederlandse management consultants Twijnstra Gudde. Het consortium, waarin ook Coopers & Lybrand en het Duitse Grieger Mallison deelnemen, moet tien Witrussische bedrijven helpen de stap te zetten naar de commerciële markt. Vijf daarvan krijgen de eerste prioriteit. “Er is tot nu toe weinig gebeurd in Wit-Rusland,” zegt senior consultant Jan Kruyt.

Het uiteindelijke doel van het project, dat over anderhalf jaar afgerond moet zijn, is het vinden van buitenlandse partners voor de bedrijven. Levensvatbare onderdelen van de ondernemingen worden geprivatiseerd. De rest wordt gesaneerd. Bij de tien bedrijven werken nu nog honderdduizend mensen. Wellicht zal dat aantal over achttien maanden fors lager zijn als de Witrussische regering besluit overtollig personeel te ontslaan.

Toegang krijgen tot de staatsbedrijven is niet gemakkelijk, zegt Kruyt, die het project vanuit Amersfoort coördineert. “Vaak hebben ze voor de defensie-industrie gewerkt. Alles was geheim - ze waren geen pottekijkers gewend. En nu roept de EU: 'We willen alles zien!' Je wordt als een indringer beschouwd.”

De bedrijven hebben een security-afdeling die vroeger onderdeel uitmaakte van de KGB. Als deze afdeling eenmaal gepasseerd is, moet de bezoeker zelf uitzoeken hoe hij de persoon te spreken krijgt met wie hij een afspraak heeft. “Je moet in de hal zelf een telefoon zoeken om met je afspraak te bellen. In Nederland zit er tenminste nog een juffrouw die dat voor je doet,” zegt Paul Groenewegen, die in Wit-Rusland de bedrijven bezoekt. Om zijn Russisch bij te spijkeren, is hij in de hoofdstad Minsk bij een gastgezin ingetrokken.

Groenewegen is met een groep consultants bij vijf bedrijven langsgeweest: Belvar, Electromechanical, Camerton, Radio Engineering en Calibre, alle werkzaam in de elektrotechniek. Het waren korte bezoeken, bedoeld om een eerste indruk te krijgen. Uit de korte rapporten die hij heeft gemaakt, blijkt dat de bedrijfsleiding doorgaans “open en geïnteresseerd is”. “De eerste indruk bij bijvoorbeeld Belvar is mij niet tegengevallen,” zegt Groenewegen. “De directeur is iemand die er behoorlijk iets van begrijpt.” Het zijn vaak de tussenniveaus in de organisatie - het middenkader - die tegen veranderingen zijn, vult Stefan Woudenberg van Coopers & Lybrand aan.

Ook de politiek heeft moeite met privatiseringen. Groenewegen: “Het privatiseringsproces is een beetje tot stilstand gekomen. Er zijn nogal wat ministers ontslagen en er is geen wettig parlement. Ze roepen wel om investeerders, maar als puntje bij paaltje komt, zie je het vaak afspringen.” Aangezien het om staatsbedrijven gaat, is uiteindelijk de minister de baas. “De hiërarchie is in Wit-Rusland anders dan hier”, meent Kruyt. “Als de minister zegt dat iets moet veranderen, dan gebeurt dat.” De politieke twijfel maakt het privatiseringsproces onzeker. “Maar Wit-Rusland kan zich niet als een eilandje blijven gedragen,” vindt Woudenberg. “De Baltische staten en Polen gaan redelijk hard in hun ontwikkeling.”

Maar, zo zegt Kruyt: “De mensen met gezond verstand krijgen nu een beetje begrip voor de noodzaak tot hervormen.” Hij vertrouwt erop dat de deskundigheid en de contacten van de consultants de Witrussen over de streep zullen trekken. “Je bent toch de toegangspoort naar het westen.”

Het conservatisme van de overheid blijft hoe dan ook een obstakel. De beperkingen in import en export zijn gigantisch, het belastingsysteem is ondoorzichtig en een permanent visum verkrijgen is een hels karwei. Zakendoen in Wit-Rusland is als zwemmen in melasse, zei een kennis tegen Groenewegen. Deze politieke zaken vallen onder de zorg van de Europese Commissie. Het conversieproject is immers onderdeel van een overeenkomst tussen Brussel en de regering in Minsk; Twijnstra Gudde regelt alleen de zakelijke uitvoering.

Groenewegen gaat nu een diagnose opstellen van de bedrijven. Hieruit moet blijken welke bedrijven of bedrijfsonderdelen het meest geschikt zijn voor privatisering. Er wordt bijvoorbeeld onderzocht welke kennis in de bedrijven aanwezig is. Ze waren altijd sterk gericht op de techniek, maar waar het nu op aankomt, is de marketing. De technische kennis is nog altijd aanwezig, is de indruk van Groenewegen en Woudenberg. Maar er zijn weinig jonge ingenieurs, omdat een technicus in zijn vak geen droog brood kan verdienen. “Hun marktwaarde is heel laag,” aldus Groenewegen.

De consultants willen manieren vinden om de kennis en capaciteit aantrekkelijk te maken voor westerse bedrijven. De arbeid is goedkoop en kwalitatief hoogwaardig in Wit-Rusland, en het wetenschappelijk niveau van de werknemers is hoog. Het westen kan daarvan profiteren door joint ventures aan te gaan of produktie uit te besteden. Verschillende Witrussische staatsbedrijven werken al samen met westerse ondernemingen als Varta, ICL en Black & Decker. Kruyt: “Grote bedrijven zijn wel geïnteresseerd, maar dan vooral om potentiële concurrenten uit de markt te drukken. Daarom is het beter als we contact zoeken met kleinere westerse bedrijven. Die zijn geen gevaar voor de Witrussen.”