Een hardnekkige achtervolging op weg naar de top; Andermans voetstappen

Bergbeklimmers horen elkaar op de ijswanden niet te hinderen en in nood elkaar te helpen. Maar niet iedereen houdt zich daaraan. Alpinist Bart Vos deed dit najaar een tweede poging de Dhaulagiri in Nepal te beklimmen, met 8167 meter de op vijf na hoogste berg van de wereld. Hij strandde op 7250 meter, met een wit-Russische klimster als een paria in z'n voetstappen. Sneeuw, storm en ongewenst gezelschap.

Ik lig diep weggedoken in mijn slaapzak. Het is donker. De wind beukt tegen het tentdoek. Iedere schok jaagt door mijn lichaam. Ik tel tot honderd, denk aan de route naar de top, haal me het uitzicht voor de geest, herhaal waar al mijn spullen om mij heen liggen: ijshaken, gasbrander, zak met voedsel, gasbollen, buitenschoenen, binnenschoenen, rugzak, drankfles, koplamp, batterijen, mes, horloge en medicijnen. Wat ben ik vergeten? Ondanks de rem op mijn denken door de dronkenschap van de hoogte, weet ik het: de donsoverall en het touw onder mijn hoofd, en de spullen die met mij in de slaapzak zitten: plasfles, sokken en handschoenen. Alle trucs om de storm en de tijd weg te denken pas ik toe. Ik kijk op het horloge. Acht over drie. De laatste keer dat ik keek was het vier minuten voor drie.

“Acht min vier is vier minuten,” murmel ik. “Oh nee, vier plus acht is twaalf.” Ik trek het dons weer strak om mijn oren, zodat ik het geloei minder hard hoor, en begin weer met tellen.

Eindelijk schemert het. Half zes, 2 november. Het einde van mijn derde nacht in de bivaktent op 7450 meter. Ik ga zitten en rits de tentdeur open. De tent staat op een sneeuwplatform dat ik heb uitgehakt op de Noord-Oost graat. Steil onder me is de zestienhonderd meter hoge Oostwand, een vergletsjerde ijswand waarover ik hiernaar toe ben geklommen. In de diepte is het dal van de Kali Gandaki. De lichten van het hotel in het dorp Lete flikkeren. Ruim een maand geleden sliep ik daar toen ik samen met de kok Tashi, zijn twee hulpen Prem en Maila en dertien dragers, op weg was naar deze berg. Het lijkt zo dichtbij, maar ik weet dat het hoogteverschil vijfduizend meter is. Boven het dal rijzen de Annapurna en de Nilgiri. Het is helder. Ik kijk naar het noorden. Ook boven het bruine Tibet is geen wolk te bekennen. De afgelopen twee dagen kon ik niet klimmen, het waaide te hard, maar nu wordt het gebulder en het schokken van de tent minder. “Mijn topdag,” zeg ik. Ik strijk mijn zijden handschoenen glad, vul een pan met sneeuw en maak de eerste halve liter thee klaar.

Als de zon de tent raakt loopt de temperatuur op van -35 C tot -15 C, warm genoeg om me aan te kleden. In gedachten klim ik al naar de top. Even de graat volgen, dan over verijsde rotsen naar het hoogste gletsjerplateau en tenslotte recht door de noordwand naar de top. Deze weg betekent, tezamen met het stuk dat ik al heb geklommen een nieuwe route op de Dhaulagiri. Solo, zonder enige ondersteuning boven het basiskamp, en sober - ik heb geen walkie-talkie, geen radio, geen zuurstofflessen, zelfs geen walkman mee naar de berg genomen. Als het lukt zet ik een elegante handtekening op deze 'achtduizender'.

Ik rits de donsoverall dicht, trek de binnenschoenen aan en verwarm de plastic buitenschoenen boven de brander. “Zouden die anderen ook gaan?” zeg ik.

Hoger, een half uur klimmen van mijn tent, staan de tenten van de andere expedities die dit seizoen de Dhaulagiri trachten te beklimmen. In totaal zeven: uit Frankrijk, Oostenrijk, Georgië, Roemenië en drie verschillende uit Japan. De eerste expeditie die hier eind augustus aankwam was een Japanse. De leden waren zelf geen geweldige klimmers, maar werden geholpen door een tiental sterke Sherpa's dat over de Noord-Oost graat - de route die de eerstbeklimmers in 1960 volgden - tot op een hoogte van 7650 meter vast touw aanbracht, tenten opzette en lasten omhoog sjouwde.

Ruim een week geleden bereikten twee Sherpa's en twee Japanners, die zuurstof gebruikten, een voortop - zo'n tachtig meter lager dan de hoofdtop, maar op een afstand van anderhalf uur lastig klimmen. De Sherpa's legden de Nepalese en de Japanse vlag neer, klopten de Japanners op hun schouders, feliciteerden ze hartelijk, met het vooruitzicht van een royale bonus. Met zijn vieren daalden ze af.

Een van de Japanners - de expeditieleider - zal nooit weten dat hij de top van de berg niet bereikte. Vlak boven het einde van het vaste touw gleed hij uit en verdween in de diepte. Hierna daalden alle leden van het team af naar het basiskamp en reisden naar huis. Het vaste touw lieten de Japanners op de berg achter. Stevig verankerd met een gordel en een klem aan het vaste touw rukken daarna alle anderen zich omhoog. Met alpinisme heeft dit nog weinig te maken. Zo heb ik te dun geklede Roemenen en Georgiërs zich naar boven zien stuntelen met domme kracht, scheef op stijgijzers lopend, vechtend tegen opkomende hoogteziekte. Hun gebrek aan acclimatisatie compenseren ze door het slikken van Diamox, een pil waarvan men tien jaar geleden dacht dat hij hoogteziekte zou voorkomen. Met verbazing kijken ze naar mij. Mijn basiskamp, 4650 meter hoog, is drie kwartier lopen verwijderd van de camping, de plaats van de basiskampen van de andere expedities. Op 5750 meter, de Noord-Oost Col, scheiden diepe gletsjerspleten en een half uur klimmen mijn tent van de andere tenten. Dat ik alleen klim, alles zelf sjouw, het vaste touw weiger te gebruiken en een andere route volg, wordt door de Japanners, Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers gerespecteerd. Maar de meeste Oost-Europeanen begrijpen het niet. Het enige wat ze willen is de top bereiken. De manier waarop vinden ze niet belangrijk. Het verbaast me, want in de jaren tachtig hebben vooral Oost-Europeanen veel nieuwe routes in de Himalaya geklommen.

Op de graat waarop mijn bivaktent staat kruist mijn klimroute die van de anderen. De afgelopen dagen hoorde ik soms stemmen en het schuren van de stijgklemmen over het Japanse vaste touw.

Ook mijn gamaschen en stijgijzers moet ik verwarmen voordat ik ze kan ombinden. Mijn rugzak vul ik met de drankfles vol met thee, donssloffen, camera, reservehandschoenen, koplamp met reserve batterijen, medicijndoosje, touw, musquetons, ijshaken en aluminium reddingsdeken voor het geval ik onverwacht moet bivakkeren. Ik houd nog even de brander in mijn handen, maar leg hem weer opzij. Te zwaar. “Voor twee uur op de top, om vier uur hier terug,” zeg ik hardop. Ik sluit de rugzak en kruip de tent uit. Het is half acht, de wind giert nog steeds, maar ik zie dat rond de top geen vaan van weggeblazen sneeuw hangt. Ik weet dat het vandaag zal lukken.

De eerste stappen gaan moeizaam. Mijn lichaam is stram en de wind blaast ijsdeeltjes in het gezicht. De lucht is bijtend koud. Ik druk mijn sneeuwbril aan en trek de bivakmuts voor mijn neus en mond. Maar de sneeuw op de graat is stevig en de punten van de stijgijzers hebben goed houvast. Ik probeer het ritme terug te vinden waarmee ik drie dagen geleden door de Oostwand klom. Het is niet steil en ik hoef niet echt te 'klimmen'. Een stap, nog een stap, inademen, tenen bewegen, vingers bewegen, pickel loswrikken, pickel in de sneeuw duwen, langzaam uitademen, volgende stap. Even stop ik en draai me om. Nauwkeurig bekijk ik de bergen om me heen. De col tussen de twee toppen van de berg Tukuche is net boven de horizon, de bolle rotsberg in het noorden is in één lijn met de sneeuwpiramide dichterbij. Het uitzicht prent ik mijn geheugen. Om het uur doe ik dit. Als het weer omslaat kunnen de beelden me helpen, tussen sneeuw of wolken door, mijn plaats te bepalen. Klimmen op hoogte is een gevecht tegen de loomheid van het zuurstoftekort. Meer dan tien van die uitzichtsplaatjes kan ik niet onthouden.

De zon verdwijnt achter de rotsgraat. Het zal acht uur zijn. Als ik om twee uur op de top ben, hoe lang moet ik dan nog klimmen? Van acht tot twaalf is vier. Van twaalf tot twee is twee. Dat is dus twee plus....... Hoeveel was dat eerste getal ook alweer? Waarom probeer ik dit? Ik weet toch dat het me op hoogte niet lukt om te rekenen! Laat toch toe vraag na vraag te stellen. Geen antwoorden. Zolang ik maar omhoog ga en van elke beweging zeker ben.

Bij de tenten van de andere expedities zie ik niemand. Ook hoger op de berg zie ik geen teken van leven. Zouden ze zijn afgedaald? Of liggen ze nog allemaal in hun slaapzak, omdat ze denken dat het weer te slecht is? Ik denk er niet lang over na en klim verder. Dan hoor ik iemand roepen. Ik stop, draai me om en zie dat iemand naar me toe klimt. Het is een Georgiër. Ik wijs met mijn pickel langs het vaste touw dat dertig meter onder mij langs de tenten loopt en vraag of hij naar boven gaat. Hij schudt het hoofd en zegt dat hij nog een dag wacht. Ik antwoord dat de Dhaulagiri nooit betere weersomstandigheden dan die van vandaag zal geven - het is een van de lessen die ik vorig jaar op deze berg leerde. Hij schudt opnieuw het hoofd en zegt: “You climb with partner? Woman.” Ik begrijp hem niet en hij probeert het in het Duits. Daarna in een combinatie van Duits en Engels. Langzaam dringt het tot me door dat hij vraagt of een vrouw met mij mee mag klimmen. Ik antwoord resoluut dat ik deze berg solo wil beklimmen en net als eerder iedere steun en elke partner afwijs. Daarbij klim ik een andere route dan zij klimmen. Maar de Georgiër herhaalt keer op keer zijn verzoek en ik wijs het telkens af, tot ik het zat ben en aanstalten maak verder te klimmen. Het laatste wat de man tegen me zegt is: “You can not claim that you are the owner of your footprint!” Mijn voetspoor niet van mij? Wat zou hij in godsnaam bedoelen? Ik haal mijn schouders op, duw de pickel in de sneeuw en zet de volgende stap.

Snel bereik ik de rotsen en traverseer langzaam stijgend naar het gletsjerplateau dat leidt naar de topwand. De punten van de stijgijzers raspen over de kale rotsen. Het ijs tussen de rotsen is hard, maar toch zijn een paar trappen met mijn voeten voldoende om stevig te staan. Eén mep met de pickel en hij bijt zich vast. Dit is de voorlaatste sleutelpassage en de omstandigheden zijn ideaal. Nergens is het nodig touw of ijshaken te gebruiken.

Vijftig meter boven me zie ik een rode streep die eindigt met een dikke stip. Het is de top van het Japanse touw en de plek waar de Sherpa's gestopt zijn het te verankeren. Dus daar ergens is die Japanner uitgegleden!

Voorbij de rotsen, aan de voet van een groot ijsveld, hak ik een plateau, doe mijn rugzak af en ga zitten. Voor de derde keer bevries ik het uitzicht in mijn geheugen, maak een paar foto's en drink thee. Het is half tien. Het waait, maar de zon schijnt en de kou is dragelijk. Wel moet ik mijn tenen blijven bewegen om ze warm te houden. Ik schat de hoogte aan de hand van bergen om me heen. 7750 meter. Nog ruim 400 meter tot de top. “Niet om twee uur, maar om één uur ben ik boven”, zeg ik. Ik tel. “Nog maar drieëneen half uur.”

Terwijl ik mijn rugzak inpak zie ik rechts van me iets bewegen. Een grijze schim. Het is een klimmer die langs het Japanse touw schuift. Zou het die Georgiër zijn? Nee, die droeg een blauwe donsjas! Hoeveel mensen waren er eigenlijk in al die tenten? Heb ik dat wel gevraagd? Zei hij niet zoiets als maar vier of vijf?

Als de schim dichterbij is en in het zonlicht komt, kan ik de figuur beter bekijken. Een grijze donsjas en donspantalon. Voor het gezicht een donker masker met gaten voor de ogen, neus en mond. In de jaren zeventig werden dit soort maskers gebruikt als bescherming tegen de wind. Ik ken ze alleen van foto's.

Dan vallen de bewegingen me op. “Die kan helemaal niet klimmen!” roep ik naar het dal. De klimmer heeft de stijgklem, die vast zit aan het touw, in beide handen en krabbelt op ellebogen en knieën omhoog. Ik staar verbaasd naar het waanzinnige geruk en geschuur. “Idioot, gebruik je voeten!” Hoe moet het dadelijk voorbij het einde van het touw? Ik wil het niet zien, bind de rugzak om en klim verder.

Als ik een half uur later weer stop, zoek ik met mijn ogen langs de graat naar de grijze klimmer, maar zie niets bewegen. Ik draai me om en zie op nog geen dertig meter afstand, in mijn klimsporen, de gemaskerde grijze donsfiguur. “Godver,” schreeuw ik. Het grijze dons stopt en zwaait. Ik gebaar en roep dat hij de verkeerde route volgt en terug moet naar de graat. Maar het donspak reageert niet op mijn geschreeuw.

De klimmer heeft een korte pickel. Hij duwt die met beide handen in het gat dat mijn pickel heeft achtergelaten, wacht even en springt dan met beide benen gelijktijdig in de hogere voetsporen. Eerst denk ik dat het een grap is, maar al gauw, als de bewegingen worden herhaald, krijg ik het benauwd. Waar heeft deze gek leren klimmen? Als een konijn huppelt het dons naar boven. Wat een verspilling van energie. Eén verkeerde beweging en hij ligt drieduizend meter lager. Ik ga zitten en wacht.

Als de klimmer bij me is, reik ik mijn theefles aan. Een hand tilt de onderkant van het masker omhoog, de andere zet de fles tegen de mond en de thee verdwijnt snel achter het masker. De thee is al half op voor ik het in de gaten heb en ik zeg dat hij moet stoppen en pak de fles terug. Ik wacht even. De klimmer heeft nog niets gezegd en is dat blijkbaar ook niet van plan. Ik wijs naar einde van het Japanse touw en naar de route langs de graat en zeg dat hij terug moet en niet moet proberen mij te volgen. “Yes,” en “thanks,” zegt het masker en ik hoor dat het een vrouw is. Waarschijnlijk een Georgische of een Bulgaarse. Bij geen van de expedities had ik tot nu toe een vrouw gezien en vraag haar hoe ze heet en bij welke expeditie ze hoort. Maar ze antwoordt niet.

Voor de tweede keer leg ik haar uit dat ze op de verkeerde weg is, dat mijn route steiler en moeilijker is dan die over de graat, dat ik bovendien niet wil dat ze me volgt en dat ze moet terugkeren. Ze knikt even, klemt haar pickel in beide handen, duwt hem in het ijs en buigt haar hoofd.

Ik bekijk haar kleren. De donsjas en donspantalon zijn dun, de plastic schoenen niet gemaakt voor deze kou, de stijgijzers zitten los om de schoenen en de punten zijn rond afgesleten. Een rugzak draagt ze niet. Als ik vraag of ze alleen naar de top wil klimmen, blijft ze in de bevroren houding staan en reageert niet. Als een oude wijze man zeg ik dat ze het beste kan terugkeren naar haar tent. Ze haalt diep adem en knikt. Ik zeg gedag, draai me om en klim verder. Door die gek heb ik zeker een half uur en de helft van mijn thee verspild, mopper ik, en probeer iets sneller te klimmen.

Dan hoor ik gehijg dicht bij me. Ik kijk om en zie dat de klimster me volgt. Ik schreeuw dat ze moet omkeren. Woedend draai ik me om en ga verder. Ik bereik het plateau en klim over het ijs dat steeds steiler wordt, in een rechte lijn naar de top. Met één hand steun ik op het ijs, met de andere mep ik de punt van de pickel in het ijs, één voet wrik ik los en trap die zo hoog mogelijk tegen de wand zodat de voorpunten vasthappen en ik hem kan belasten. Dan volgt de andere voet. Ik richt me op, zucht vijf keer en herhaal de handelingen. De regelmaat en het tekort aan zuurstof werken verdovend. In gedachten heb ik dit stuk al zo vaak geklommen, dat het terrein me bekend voorkomt. Ik ben maximaal geacclimatiseerd en voel me sterk. Over een paar uur ben ik boven.

Dan voel ik een schok tegen een stijgijzer. Mijn rechtervoet trilt. Zou een binding gebroken zijn. Ik kijk tussen mijn benen naar beneden. “Shit!” schreeuw ik. Het is de vrouw die me is gevolgd en met haar hoofd tegen mijn voeten bonkt. Ze omklemt haar pickel en laat haar hoofd hangen tussen haar armen. Ik klim naar beneden tot ik naast haar sta en zeg opnieuw dat dit levensgevaarlijk is en dat ze moet stoppen. Ze reageert niet. Nog één keer, nu duidelijk woedend, zeg ik haar dat ik niet wil dat ze me volgt. Dan klim ik, zo snel ik kan, omhoog. Maar het ijs wordt harder en af en toe moet ik een greep voor mijn hand uithakken. Opnieuw voel ik de schokken tegen mijn stijgijzers. Ook over dit steile ijs huppelt ze - in mijn voetspoor - omhoog. Ik stop en zeg haar op zijn minst afstand te houden. Maar als ik verder klim blijft ze me bonkend volgen. Ik ben aardig, ik scheld haar uit, niets helpt en steeds meer besef ik het gevaar. Als ik met één voet slip, trap ik haar van de berg. Zij zal dan ongetwijfeld naar mijn voet grijpen en beiden zullen we verongelukken.

Voor de veiligheid moet ik nu stevige voetsporen maken. Soms sta ik voor één stap enkele minuten te hakken in het ijs. Mijn tempo vertraagt. Ik voel dat ik die vrouw niet meer kwijtraak. Even lach ik: ik weet niet hoe ze heet en waar ze vandaan komt, haar gezicht heb ik nog niet gezien. Dan word ik razend en klim verder. Telkens voel ik weer haar hoofd tegen mijn stijgijzers. Ik moet absoluut veilig klimmen.

Om drie uur, ruim boven de achtduizend meter, reageert de vrouw eindelijk een keer. Ze maakt murmelend duidelijk dat haar voeten koud zijn en ontbloot een hand. De toppen van haar vingers zijn koud en gevoelloos. De eerste tekenen van bevriezing. Zelfs nu keert ze niet om. Het lijkt of ze me verdoofd volgt. De top is zo dichtbij. Nog een ijsgoot die zich tussen rotsen versmalt, een rotspassage en dan tenslotte enkele tientallen gemakkelijke meters tot het hoogste punt.

Ik klim verder en ga rekenen. Om half zeven is het donker. De donsvrouw heeft geen koplamp. Met haar gezicht naar het dal afdalen kan ze niet, dus moet ze de hele route afklimmen. Als ik haar voor ga duurt dat tot het einde van het Japanse touw zeker twee uur. Dus als ze na half vijf begint met afdalen, zal ze ongezekerd in het donker naar beneden moeten. Juist in de omgeving waar die Japanner verongelukte! Als ik hier niet had geklommen, was zij er dan ook geweest? Waarom ben ik niet al een paar uur geleden gestopt?

Ik klim tussen de rotsen en ben al tientallen meters boven het punt dat de Sherpa's met de Japanners bereikten. Over de graat heen kijk ik naar het noorden. Het ijs wordt harder en lijkt op glas. Trede na trede moet ik hakken. Terwijl ik zwoeg, rust de donsvrouw nog geen halve meter onder me. Haar hoofd hangt tussen haar armen. Ik weet nu dat ik dadelijk moet kiezen. Na half vijf op de top betekent donker, bivak en bevriezingen. Voor half vijf is okay.

Ik ben bij de rotsen waartussen keihard ijs zit. Maar de rotsen hebben goede handgrepen en binnen tien minuten ben ik ze gepasseerd. Ik kijk omhoog. Nog tien minuten klimmen! Maar als ik onder me kijk zie ik dat de vrouw verwoede pogingen doet omhoog te komen. De punten van haar stijgijzers glijden over het ijs en een paar keer zie ik haar uitglijden. Als een ontregelde robot krabbelt ze door. Ik schreeuw dat ze moet stoppen en dat ik een touw naar beneden zal gooien. Terwijl ik een haak in het ijs schroef dringt het tot me door dat het afgelopen is. Het is bijna half vijf. Ik pak mijn camera, schroef hem op de pickel, druk op de zelfontspanner en klim een paar meter naar beneden. De hoogste foto, minder dan vijftig meter onder de top.

Als ik mijn rugzak weer omgesp, denk ik stemmen te horen. De wind die over de graat giert? Ik roep: “Hallo, hallo!” en zie dadelijk twee hoofden recht boven me. Ze gebaren en verdwijnen weer.

Ben ik nu ook gek geworden? Even later valt er een touw langs me, die twee mannen gebruiken om af te dalen. Met een spreek ik even. In goed Engels vertelt hij dat zij om zeven uur vanmorgen zijn vertrokken en over de graat de top bereikten. Ik wijs naar de fanatieke gemaskerde idiote onder me en vertel hem dat ik om moet keren. Hij knikt kort, pakt het touw en daalt verder af. Hij spreekt kort met de vrouw en daalt af.

Ik klim naar beneden, stop bij haar. Zij knijpt in haar aangevroren vingers. Ik leg haar uit waarom ik afdaal en dat ze me moet volgen. Ze knikt.

Met grote passen daal ik. Na vijf minuten kijk ik omhoog en zie tot mijn verbijstering, dat ze me niet is gevolgd, maar nog steeds pogingen doet omhoog te krabbelen. Ik schreeuw dat ze moet stoppen. Dan geef ik het op en ga naar beneden. Als ik driehonderd meter lager ben, zie ik dat de vrouw de klimpogingen heeft gestaakt en langzaam afdaalt.

Voor zessen bereik ik mijn tent. Die nacht slaap ik nauwelijks. Het stormt. Ik weet dat mijn kansen de top te bereiken zijn verspeeld en ik ben woedend. De vragen stromen door mijn hoofd. Wie was die vrouw? Bij welke expeditie hoorde ze? Wie waren die twee mannen? Hoorden ze bij dezelfde expeditie als de vrouw? Heeft de vrouw haar tent nog bereikt?

De volgende morgen hoor ik voor mijn tent een stem. Het is die vrouw. Voor het eerst zie ik haar echt. Blond haar, een krachtig gezicht. Ze is overvallen door de duisternis en heeft de nacht buiten doorgebracht. De punt van haar neus, de vingers van één hand en beide voeten zijn bevroren. Ze daalt verder af naar de Noord-Oost Col waar een arts van haar Bulgaarse expeditie verblijft.

Terug in het basiskamp hoor ik haar naam, Irena Vyalenkova. Ik zie haar daar kort, maar ze is te versuft van de morfine om te spreken. Ze komt uit Minsk, Witrusland en heeft zich pas in Kathmandu bij de Bulgaarse expeditie aangesloten. Tijdens de tocht naar de berg en tijdens de beklimming heeft ze de anderen gesard en zich gehaat gemaakt. Geen Bulgaar voelt zich verantwoordelijk voor haar.

De klimmer die afdaalde van de top en met wie ik even sprak was Borislaw Dimitrow, de leider van haar expeditie. Tijdens haar tocht van het hoogste kamp naar het kamp op de Noord-Oost Col heeft niemand haar begeleid, terwijl het beroep van een van de Bulgaren in de tent 'bergredder' was.

Bij bevriezingen is het van het grootste belang zo snel mogelijk in een ziekenhuis te komen. Irena is op de rug van dragers teruggekeerd van de berg - de expeditie was blijkbaar niet bereid haar deposit aan een helicopter te besteden - waardoor zij ruim drie weken na haar nachtelijk bivak een ziekenhuis in Moskou bereikt.