Driekwart eeuw regeringservaring blijkt nu een loden last; Oppositie met lange tanden

Hoe moet een van nature bestuurlijke partij oppositie voeren tegen een o zo redelijk kabinet? Het CDA zoekt naar een eigen stijl en een nieuwe inhoud. De partij moet alert zijn, maar niet 'pisserig'. Scherp, maar niet goedkoop. In het debat stelt het CDA nu de 'menselijke maat' voorop. Het gezin, de kleine winkelier en de beschutte eigen groep tegenover de dwang van de markt en de globale economie. Het CDA in onbekende wateren: de lange weg naar de interruptie-microfoon.

'Asfalt bij Prins Clausplein spontaan één grote gatenkaas', meldde de Telegraaf van woensdag 1 november op de voorpagina. Enkele uren later hadden de CDA Tweede Kamerleden Reitsma en Van Rooy hun schriftelijke vragen aan de minister van verkeer en waterstaat reeds gesteld. “Welke maatregelen stelt u voor om op korte termijn de doorstroming van het verkeer over het Prins Clausplein te verbeteren.”

Zo moet het dus: oppositievoeren. Alert zijn en stoken in de coalitie. Vragen over de auto zijn dan in elk opzicht doeltreffend. Klagen over files doet het altijd goed bij het grote publiek, maar daarnaast is de auto in de coalitie van PvdA, VVD en D66 een gevoelig onderwerp dat heel gemakkelijk tot verdeeldheid kan leiden. Vragen stellen, opheldering eisen, tegenplannen maken. En niet vergeten: alles direct zo veel mogelijk in de publiciteit. Zodoende was daar dan vorige week de presentatie van het CDA-plan om de files te bestrijden.

Het persbericht met die boodschap is inmiddels al weer ingehaald door vele andere mededelingen van CDA-zijde. Deze week was er het persbericht met de “verbazing” van het CDA over de “ommezwaai” die het kabinet had gemaakt bij het voor de Nederlandse tuinders zeer ongunstige akkoord tussen de Europese Unie en Marokko. Daar was deze week tijdens een debat in de Tweede Kamer naar aanleiding van de doodvonnissen in Nigeria de vraag om opheldering over uitlatingen van minister Pronk. Daar was de CDA-eis voor vijftig miljoen gulden extra voor defensie om de “onverantwoorde bezuinigingen” op de opleidingen voor het personeel ongedaan te maken. Daar was het CDA initiatief-wetsvoorstel om een woonkostenaftrek in te voeren. Daar waren de schriftelijke vragen over de 'doodshoofdstrijker'. Daar waren ook de schriftelijke vragen aan de bewindslieden van buitenlandse zaken, justitie en cultuur over de kwalijke uitstraling van de zeer veel geraadpleegde Nederlandse Internet-pagina's Fifth Plaza, Dirty Dutch en Red Light District. “Delen de bewindslieden de mening dat deze vorm van export van diensten in het buitenland wordt beschouwd als uiting van de normvervaging van de Nederlandse samenleving en derhalve bijdraagt aan een verdere verslechtering van het toch al niet optimale Nederlandse imago in het buitenland?” willen de Kamerleden Van Rooy en Verhagen weten.

Het CDA begint het eindelijk een beetje te leren. Oppositie gaat niet met fluwelen handschoen, maar als het even kan met de botte bijl. Het is een omschakeling waar een door-en-door bestuurderspartij als het CDA moeite mee blijft hebben. Zaken werden tot voor kort immers altijd gedaan met de eigen bewindslieden via de befaamde binnenlijn. Schatten moet de PTT hebben verdiend aan het fameuze zondagse telefooncircuit van de partij. Zelden schreeuwde het CDA iets van de daken. De partij ventileerde hooguit aarzelingen of vraagtekens, waarna in een strak geregisseerd spel tussen fractie en betrokken minister de zaak binnenskamers werd afgehandeld.

Zo was men het gewend. Regelen, masseren, in de week leggen. Dat waren de instrumenten van de CDA-politicus. Niet voor niets zorgde de 'nu knopen doorhakken'-taal van ex CDA-fractievoorzitter Brinkman vooral voor een schok in de partij zelf. Bestuurders bedienen zich van een ander vocabulaire. Het wreekt zich nu het CDA zich noodgedwongen aan de andere kant van de tafel bevindt. Oppositie voeren blijkt een vak apart. Een vak dat bovendien alleen in de praktijk valt te leren. Maar aan die praktijk waren de christen-democraten al meer dan zeventig jaar niet toegekomen. Totdat op 22 augustus van het vorig jaar alles anders werd en PvdA, VVD en D66 met hun 'paarse' kabinet het CDA uit het centrum van de macht verdreven.

Pruilende politicus

In dat omschakelingsproces raakte CDA-fractieleider Brinkman tussen de wielen en sindsdien heet de oppositieleider Enneüs Heerma. Bekend van volkshuisvesting, maar niet van gespierde taal. Wat er op 31 augustus in de Kamer stond om het kabinet op te wachten was geen oppositieleider, maar een pruilende politicus. Niet iemand die riep dat het kabinet Kok er nooit had mogen komen, maar iemand die zei: “Het CDA heeft deze positie, deze oppositie, niet gekozen.” Iemand die toegaf geen ervaring te hebben en dus “wat onwennig” aan zijn rol begon. Iemand die tenslotte uitsprak het kabinet realistisch, redelijk, constructief en op verzoek kritisch tegemoet te zullen treden met “als het even kon ook nog een vleugje blijmoedigheid”.

De ministers konden rustig achterover gaan zitten. Van het oppositiefront was, zolang dat door het CDA van Heerma werd aangevoerd, vooralsnog niets te vrezen. Een jaar later bleek de situatie nog overanderd. Als er al een oppositioneel geluid was te vernemen, kwam dat vanuit de coalitie zelf bij monde van VVD-leider Bolkestein. Voor de televisie beklaagde minister-president Kok zich twee maanden geleden op Prinsjesdag over “het gebrek aan kracht” dat van de CDA-oppositie uitging. “Dat is niet iets waar ik vanuit het landsbelang vrolijk van wordt”, aldus Kok.

Bij het electoraat is het oppositionele geluid ook nog niet echt doorgedrongen. Veertig procent van de aanhang verloor het CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 1994, oftewel twintig van de 54 Kamerzetels. Pijnlijker voor het CDA is dat de kiezers ondanks de aanwezigheid van de goddeloze coalitie in Den Haag de weg terug nog steeds niet hebben gevonden. In de peilingen blijft het CDA het onverminderd slecht doen. 'Paars' leidt tot nu toe tot opvallend weinig spijtoptanten.

Gebrek aan oppositie, of gebrek aan alternatief? In het vorige maand verschenen CDA-jaarboek toont fractieleider Heerma zich opvallend openhartig. “Wij willen geen oppositie voeren om de oppositie. Als je te hard op de trom slaat dan kun je dat als een boemerang terugkrijgen. Als wij te pisserig, te overdreven het kabinetsbeleid tegemoet treden dan wordt dat niet herkend. Vergeet niet dat uit onderzoek blijkt dat velen binnen onze achterban best tevreden zijn met het beleid van deze coalitie. Ook uit brieven merken we dat men vindt dat het kabinet zijn best doet en alles in het redelijke probeert te doen. De marges voor de oppositie zijn dus zeer gering.”

Het is inderdaad exact het probleem. Een oppositie functioneert nu eenmaal bij de gratie van het kabinet. Hoe controversiëler het beleid, hoe groter de onrust in de coalitie, des te beter vergaat het de oppositie. Een oppositieleider kan zuigen, wrikken, krassen veroorzaken, maar niet de allesbepalende knock-out uitdelen. Nog nooit is een kabinet in Nederland door toedoen van de oppositie gevallen. Kabinetten vallen uit zich zelf. De oppositie kan hooguit een extra impuls geven aan het rottingsproces in een coalitie.

Als de marges gering zijn, zoals Heerma stelt, gaat het er om die beperkte ruimte maximaal te gebruiken. De telkens terugkerende vraag is dan of Heerma daarvoor de aangewezen persoon is. Hij is niet de pitbull-terriër die genadeloos kan toehappen. Heerma is geen Hans Wiegel of Joop den Uyl. Evenmin is hij de verbaasde buitenstaander die zich op genuanceerde wijze tot tolk maakt van het publieke ongenoegen. Heerma is geen Hans van Mierlo. Heerma is Heerma: de redelijkheid zelve. 'Der Scharping der Niederlande' zoals het Duitse dagblad die Welt hem onlangs noemde. Hij is niet de 'afmaker' die als het maar even kan nog wat extra zout in de wonden van de coalitie strooit. Is die fase van de strijd aangebroken, dan legt Heerma het bijna altijd af tegen GroenLinks-fractievoorzitter Rosenmöller. Heerma in het CDA-jaarboek: “Ik heb onze vorm van oppositie laatst een gouvernementele oppositie genoemd. Dat verwacht onze achterban ook. Ons hoofddoel als doel op zichzelf is niet dat het kabinet snel valt. Zo zijn wij niet gebakken als christen-democraten.”

Daar is weer de bestuurlijke invalshoek; de Haagse invalshoek ook. Een mentaliteit die al tot zoveel spanning tussen fractie en de rest van de partij heeft geleid. Zo zegt de van ver buiten Den Haag afkomstige partijvoorzitter Helgers in het CDA-jaarboek: “Is het niet typisch CDA dat we zelfs als oppositiepartij bestuurlijk willen scoren? Het gaat er als oppositiepartij primair om dat je je politieke standpunt goed voor het voetlicht kan brengen. Als oppositiepartij weet je dat je bestuurlijk weinig in de melk te brokkelen hebt. Dat moet ook niet je criterium zijn.”

Helemaal ongevoelig voor die kritiek zijn de Haagse CDA-politici niet. Binnen enkele weken zal fractieleider Heerma samen met zijn secondanten Wim Deetman en Jaap de Hoop Scheffer de overige leden van de fractie een plan presenteren waarin een andere werkwijze wordt voorgesteld. Belangrijkste doel van deze operatie is de techniek van de oppositie te verbeteren. Er wordt nog zeer geheimzinnig over gedaan, maar dat zal worden voorgesteld een politieke voorhoede te formeren, lijkt welhaast zeker. Het moet afgelopen zijn met de verdelende rechtvaardigheid die ertoe heeft geleid dat elk fractielid zit opgeloten in een eigen beleidskoker. De weinige straatvechters die de fractie kent - te denken valt aan mensen als Jaap de Hoop Scheffer, Wim Mateman, Wim Deetman, Frans Jozef van der Heijden, Wim van de Camp, en Piet Bukman - zullen meer worden ingezet. Maar ook al is duidelijk dat er voorlopig niet gemorreld zal worden aan het fractievoorzitterschap van Heerma.

Loyaliteit

Hotel Waanders in Staphorst afgelopen dinsdagavond. Het Kamerlid Jaap de Hoop Scheffer spreekt. Na de pauze is er het gebruikelijke vragenuur. De laatste vraag, tevens de vraag met de zwaarste politieke lading, komt vanachter de bestuurstafel. “De heer Heerma, is dat nu wel de juiste leider voor het CDA? Kan hij de partij kleur geven?”

De Hoop Scheffer gaat er achter het spreekgestoelte eens extra voor staan. “Het antwoord is ja. Iemand die het aandurft om in het diepste der dalen het politiek leiderschap op zich te nemen, verdient krediet en onze loyaliteit. Die verdient het gesteund te worden door fractie en partij. Hij moet ook beginnen en is geen kameleon. Oppositie voeren komt je niet aanwaaien, dat moet je leren. Dit is een leerproces. We hoeven toch niet allemaal Bolkestein, de populist, te volgen? Heeft u Bolkestein wel eens in de Tweede Kamer horen debatteren over vreemdelingen of over Bosnië? Nee, hij debatteert met Francis Fukuyama in zaaltjes, maar niet in de Tweede Kamer. Moeten wij die stijl overnemen? Wij zijn het CDA.”

Twee uur daarvoor had De Hoop Scheffer zijn achterban om geduld gevraagd. “We kunnen na een jaar niet opeens een andere kleur aannemen. Maar we moeten wel uitstralen dat we het oppositievoeren leuk vinden. We moeten het niet met lange tanden doen. Vroeger was de vraag altijd: mijnheer De Hoop Scheffer, wat vindt u ervan. En dan moesten we weer reageren op een nota van een eigen bewindspersoon. Tegenwoordig is de vraag: wat vindt u? Nu kunnen we aangeven wat we zelf vinden.”

En hoe staat het met de boegbeelden, wil de zaal weten.

Weer vraagt De Hoop Scheffer om clementie. “Het waren altijd een aantal CDA-ministers die het beeld bepaalden. Nu zijn wij de beeldbepalers. Wij zijn de frontsoldaten. Meer smaken hebben we niet.”

Contradictie

Oppositie en CDA : het blijft veel weg hebben van een contradictie. Voor een aanzienlijk deel van het beleid dat het huidige kabinet nu uitvoert kan het CDA direct tekenen. Bovendien kan de coalitie bijna elke kritische vraag van het CDA over beleid beantwoorden met de wedervraag in hoeverre het CDA zelf medeverantwoordelijk is voor dat beleid. De driekwart eeuw regeringservaring van de christen-democraten is in de oppositie een loden last. De betrokkenheid met de macht is nog te groot. Er had natuurlijk deze week een 'mooi nummer' gemaakt kunnen worden van de mislukte poging om een Nederlander benoemd te krijgen als secretaris-generaal bij de NAVO . Hadden minister-president Kok en minister van buitenlandse zaken niet veel te veel verwachtingen gewekt, hadden zij niet veel beter moeten informeren bij de Amerikanen, hadden zij geen stille diplomatie moeten bedrijven. De vragen liggen voor het oprapen. Maar kan je ze als CDA ook met goed fatsoen stellen wanneer de hoofdpersoon in het drama, Ruud Lubbers, de ex-leider van de eigen partij is? Overal komt het CDA zichzelf tegen. Dat maakt het oppositievoeren zo moeilijk.

Zo lang het CDA niet echt een 'verhaal' tegenover paars kan stellen, zal het ook moeilijk blijven. Wordt de coalitie van PvdA, VVD en D66 beschouwd als een uiting van nationale consensus, dan valt er voor het CDA geen eer te behalen in de oppositie. Dus moet er gezocht worden naar een andere polariteit, waardoor er alsnog ruimte voor een eigen geluid van het CDA ontstaat. Aangrijpingspunten daarvoor zijn te vinden bij het al enige jaren durende publieke debat in de Verenigde Staten over family values. De 'menselijke maat' waarover CDA-fractievoorzitter Heerma het zo vaak heeft, komt niet zo maar uit het niets. Het is de bijna natuurlijke reactie op nauwelijks te beheersen mondiale ontwikkelingen. Tegenover de globalisering wordt de beschutting van het kleine verband met het erbij behorende waardenpatroon gezocht. Dat is de basis van het alternatief dat het CDA tegenover 'paars' wil zetten.

In de oppositie heeft de partij, niet gehinderd door de noodzaak om tot een compromis te komen, alle ruimte om dit thema uit te werken. De vorige week verschenen discussienota 'Nieuwe wegen, vaste waarden' van de zogeheten Strategische Beraadsgroep van het CDA is hiervan het eerste produkt. “De positie waarin onze partij zich bevindt, moet worden gezien als een kans”, aldus voorzitter Frans Andriessen van de beraadsgroep in het voorwoord van de nota. De 'waarden'volle samenleving is hierbij het christen-democratische sleutelbegrip. “Met een economisering van het publieke debat en met het wegrelativeren van publieke waarden en inspiraties is niemand gebaat. Er is behoefte aan een waarden-georiënteerde politiek”, zo staat in de nota.

“Het CDA moet een goede omgang met de moderniteit zien te vinden”, stelde de publicist Pim Fortuyn onlangs in een interview met het partijblad CD/Actueel. Hij is er van overtuigd dat de partij op een “goudmijn” zit. Maar het probleem is volgens hem dat het CDA , net als de kerken overigens, “niet weet te communiceren”.

Gezinsvriendelijk

Een eerste poging daartoe ondernam fractievoorzitter Heerma twee maanden geleden tijdens de algemene beschouwingen. Het pleidooi voor een gezinsvriendelijk beleid vertaalde hij in het voorstel om een minister van familiezaken aan te stellen. Het werkte. Het tot die tijd nogal abstracte CDA-verhaal over het nut van maatschappelijke verbanden kreeg hierdoor handen en voeten. Heerma kan zich er sinds die tijd op voorstaan een thema op de politieke agenda te hebben gezet. Maar het uitdragen van dat thema is vervolgens weer een probleem. In een debat met PvdA-minister Melkert van sociale zaken die had geroepen dat hij zelf al de minister van familiezaken was, moest Heerma het afleggen.

Maar de gedachte van de menselijke maat en de waarden-volle samenleving blijft het stuk drijfhout waar het CDA zich aan vastklampt om aan de verdrinkingsdood te ontkomen. Naarmate 'paars' langer zit en meer een eigen beleid gaat ontwikkelen kan het CDA daar een andere boodschap tegenover zetten. Het debat over de verruiming van de winkelsluitingstijden dat volgende week in de Tweede Kamer wordt gehouden is daarvoor zo'n gelegenheid bij uitstek. Daarbij zal het dan gaan om het “toegeven aan de ongeremde wetmatigheden van de markt” versus ordening. Dan zal misschien iets zichtbaar worden van de nieuwe scheidslijn die CDA-ideoloog Donner al enige tijd voorspelt. Aan de ene kant is dat de volgens hem “vrij pragmatische mix van markt en overheid met een benadering vanuit het individu” die het paarse kabinet voorstaat. Daartegenover staat het CDA-alternatief met de kwaliteit van de samenleving voorop. Niet de oude links-rechts tegenstelling dus, maar de klassieke tegenstelling tussen liberalen en socialisten aan de ene kant en christen-democraten aan de andere kant. Een rolverdeling die in Duitsland nooit anders is geweest.

Maar wat er ook aan ideologisch fundament wordt gestort; alles valt of staat voor het CDA nu bij het dagelijkse politieke werk. In de televisie-democratie is het beeld allesbepalend. Sarren, stoken, beuken, ook dat zal het CDA moeten doen. Met alleen een goed betoog redt een partij het tegenwoordig niet meer. Minstens zo belangrijk is, wie dat verhaal uitdraagt. Vandaar dat de discussie over de nieuwe koers het gesprek over de meest geschikte leider niet zal doen verstommen. Heerma is de leider, zegt iedere CDA'er. Op dit moment, is de toevoeging die velen erbij denken.

Ondertussen gaat de oppositie door. Voorbij is de tijd dat de fractievoorzitter van het CDA vanaf de achterste bank in de Tweede Kamer het politieke proces bestierde. Dat was de uitdrukking van macht in optima forma. De leider der christen-democraten in het parlement hoefde niet vooraan bij de interruptie-microfoon te zitten. Als het goed was, was het werk immers al gedaan. Voor hem resteerde slechts het overzicht over de troepen. Voor die zelfgenoegzame houding is nu geen plaats meer. Sinds 'paars' zit fractievoorzitter Heerma dan ook bij zijn collega's vooraan. Nu de doeltreffende interrupties nog.

In januari van dit jaar kwam de CDA-fractie vlak voor het einde van het kerstreces bijeen in de bossen van Maarssen. De mystery guest van vrijdagavond leidde tot veel hilariteit onder de aanwezige fractieleden. Niemand minder dan het VVD-erelid Hans Wiegel, kanon van rechts in de roerige jaren zeventig, kwam de fractieleden toespreken over de kunst van het oppositievoeren. Hoe hij dat nou deed in zijn tijd? “Wel”, vertelde Wiegel, “eigenlijk heel simpel. Als het kabinet Den Uyl vrijdagmiddag een besluit had genomen, zorgde ik altijd dat er vlak voor het Journaal van acht uur een sterk afkeurende reactie van mijn kant lag. Daardoor was mijn reactie het nieuws en niet het kabinetsbesluit.” CDA-fractieleider Heerma werd door de aanwijzingen van Wiegel nog eens gesterkt in zijn opvatting dat “politiek een ordinair vak is”, zo liet hij zich later ontvallen.

Het gastcollege dateert al weer bijna van een jaar geleden. Hoe beziet Wiegel thans de oppositie van het CDA. “Ze hebben geleerd”, zegt hij. “Bij de algemene beschouwingen hadden ze met de familiepolitiek een goed punt. Hun vorige week gepresenteerde toekomstvisie heeft ook een bepaalde geur.” En hoe oordeelt hij over de wijze van oppositievoeren? Op Wiegels gezicht verschijnt een malicieuze glimlach: “Tja, dat is het echte handwerk, hè? Dat kost tijd. Het heeft mij indertijd ook jaren gekost.”