De grote trek

Op weg van Budapest via Amsterdam naar New York klaart de lucht steeds meer op. Want hoe dichter men vanuit de buitengewesten het wereldhart nadert, hoe minder er gerookt wordt.

In Budapest rookt men nog ouderwets veel, met smaak en overgave. Politie op straat, verpleegsters in het ziekenhuis, docenten in de klas, allemaal zuigen ze amechtig hun sigaret tot as en peukje. Alle Hongaren smeulen altijd wel een beetje. De luchtvervuiling is nog erger, mokken ze, dus wat maakt het uit, en trouwens, iedereen rookt dus je krijgt het toch al van een ander. De Hongaar is naar eigen opvatting nu eenmaal ongezond, eet te vet, drinkt te veel, beweegt te weinig, is somber gestemd en suïcidaal van aard en bovendien is pas gebleken dat de Hongaarse grond het levensreddend element selenium ontbeert, zodat heel de natie bij voorbaat al gedoemd is. Dit wekt een bittere voldoening die, naar ik begrepen heb, de kern van het Magyaars levensgevoel uitmaakt.

Maar wie een eind oprukt naar het Westen snuift daar de frisse lucht op van vooruitgangsoptimisme en het vertrouwen in persoonlijke lotsverbetering. Ook in dit opzicht ligt Nederland halverwege de Verenigde Staten. Het roken wordt er van overheidswege bestreden, in restaurants en openbare ruimten wordt het tabaksgebruik beperkt en de ene na de andere roker zweert zijn kwade neiging af. Maar dit is allemaal halfzacht in vergelijking met de Amerikaanse bekeringsijver.

'We are non-smokers!' roept vanaf het scherm in koor een kleine menigte mij toe: zij zijn dus rokers, maar willen het niet langer zijn en ze brengen al een hele ochtend voor de camera's tabaksvrij samen door.

Sinds jaren worden in grote delen van de VS in restaurants de rokers apart gehouden van de niet-rokers, zoals dat nog maar kort daarvoor de gewoonte was met blanken en niet-blanken - een vergelijking die de rokers mokkend plachten uit te spelen. Maar steeds vaker wordt het roken helemaal uitgebannen, in vliegtuigen, in openbare gebouwen, en nu ook in alle eetgelegenheden. Roken is eigenlijk alleen nog maar toegestaan op straat en in de strikte beslotenheid van eigen huis. Vaak ziet men, weggedoken in een portiek of onder een achtertrap, een roker die zijn gezelschap kort ontvlucht is om even een trekje te halen, betrapt als iemand die een stille plek heeft opgezocht omdat hij het niet meer op kon houden.

En inderdaad, de roker van vandaag geldt als iemand die er nog steeds maar niet mee op kan houden: incontinent - infantiel en seniel tegelijk; een zelfbevuiler, morsig, onwelriekend en bevlekt, en dat niet eens vanwege een ernstige lichaamskwaal, maar enkel en alleen uit wilsgebrek, door een karakterzwakte.

Niet lang geleden nog was de roker een vent die niet bang was voor een kuchje, iemand die onvervaard de damp van zware kruiden opzoog tot in het diepst van zijn binnenste; de rokende vrouw inhaleerde haar sigaret om de wasem welriekend weer uit te blazen als haar allereigenste aroma. Tabaksgebruik stond voor durf, hartstocht en levensdrang. Tegenwoordig gaan alleen de sigarettenreklames daar nog op door met cowboys, vamps en avonturiers, relikten uit een vervlogen tijd. Het gaat er allang niet meer om dat roken de gezondheid schaadt, het komt er op neer dat rokers minderwaardig zijn.

Ik noteer dit alles vanuit de comfortabele positie van een niet-roker. Weliswaar ben ik een recente bekeerling, maar daar staat tegenover dat ik altijd maar weinig gerookt heb en dus nu eigenlijk ook maar weinig niet rook. Mark Twain zei hierover: 'Ophouden met roken is heel eenvoudig; ik heb het zo vaak gedaan'. En van Harry Mulisch hoorde ik: 'Ophouden met roken is heel makkelijk, je hoeft maar één sigaret niet te roken; de volgende!'

Ik kan daarvan mee praten, want ik heb vaak die volgende na een paar maanden uitstel toch gerookt en wat was dan die ene sigaret, dat eerste trekje, onvergelijkelijk heerlijk: de borstkas die al die tijd een onvervulde holte was geweest stroomde nu vol en zette krachtig uit op een lichte, eindelijk voldane adem, die naar het hoofd steeg en het daar heel even liet duizelen.

Bij de volgende was er al niet veel meer aan; alleen nog verlangen, nooit meer die volkomen vervulling, maar vooral de schaamte: 'Gut, rook jij weer? Ik dacht dat je er voor goed mee opgehouden was'.

Ik moet bekennen dat het besef van morele superioriteit waarin ik nu als niet-roker verkeer een haast even aangename duizeling teweeg kan brengen. Ik heb dan ook graag rokers om mij heen die ik, terwijl zij schutterig en schuldbewust aan hun shagje frommelen, goede raad geef, en als het moet een standje.

De feitelijke gezondheidsrisico's, hoe groot ze ook zijn, spelen allang niet meer de hoofdrol in de tabaksbestrijding en de zelfoverwinning op het roken. De campagnes tegen tabaksgebruik maken niet veel uit en de sigarettenreklames evenmin. Andere krachten zijn aan het werk. Meer en meer houden mensen elkaar een rein en gezond leven voor als hoogste deugd: natuurbehoud en lichaamsbehoud vallen daarin samen. De natuurlijke omgeving raakt iedereen, en elk lichaam op zich is een soort ego-natuur. Voor het behoud van natuur en ego-natuur leggen mensen elkaar zware beperkingen op, het afval moet gescheiden en de calorieën moeten geteld, de uitstoot beperkt, de inname gematigd. Dat zijn moderne beschavingsidealen. Naar die maatstaven is roken ongezond, onrein en onbeschaafd. Niet de schade telt zozeer, maar vooral de schande.

Een nog juist bedwingbare zin overkomt me naar zo'n heel klein brandje tussen wijs- en middenvinger. Maar het is mijn eer te na.