De buitenlandse liefde van Engelse vorsten

Tentoonstelling: Dynasties, Painting in Tudor and Jacobean England 1530-1630. T/m 7 januari 1996. Tate Gallery, Millbank Londen. Cat £ 25,-

De Londense Tate Gallery staat in de eerste plaats bekend als een museum voor negentiende- en twintigste-eeuwse kunst. Wie op doortocht naar Bacon, Matisse of Dali de zaal met vroeg zeventiende-eeuwse portretten passeert, zal zich daarom afvragen wat deze Vlaamse en Nederlandse werken hier te zoeken hebben. Paradoxaal genoeg vloeit de aanwezigheid van deze Vlamingen voort uit het streven van de Tate Gallery om een representatief overzicht van de ontwikkeling van de Engelse schilderkunst te geven: kunstenaars uit de Nederlanden hebben daarin een vooraanstaande rol gespeeld. Met Dynasties: Painting in Tudor and Jacobean England 1530-1630 laat de Tate Gallery merken deze doelstelling nog altijd serieus te nemen.

De tentoonstellingsruimte is gevuld met strenge portretten van zestiende-eeuwse koningen en hertogen. Hoewel er tussen deze voornaamheid ook af en toe een kardinaalsportret is te vinden, dat trouwens niet minder streng is, ontbreekt in de zalen verder nagenoeg religieuze kunst. Kerkelijke instanties, die elders in Europa als opdrachtgevers voor schilders juist zo'n belangrijke rol speelden, lieten het in Engeland afweten. In de zestiende eeuw was de schilderkunst een aangelegenheid die zich tot de Engelse hofkringen beperkte. Op de portretten die machthebbers van zichzelf lieten maken etaleren ze hun status en rijkdom. De met parels en brokaat versierde kledingstukken zien er soms zó kleurrijk en weelderig uit dat de bleke gezichten van de geportretteerden er armoedig bij afsteken.

Bij het aantrekken van schilders toonde het Engelse koningshuis een gulle hand. Henry VIII begreep al hoe belangrijk vooraanstaande kunstenaars waren voor zijn prestige. Bovendien wenste hij niet onder te doen voor de Franse koning. Hij verstrekte belangrijke opdrachten aan kunstenaars die hij vanuit Italië, Vlaanderen en Duitsland liet overkomen.

In de jaren dertig was het Hans Holbein die de kunsten aan het Engelse hof dirigeerde. Twintig jaar later maakten de Vlaming Hans Eworth (waarschijnlijk een verbastering van Johannes Ewouts) en zijn navolgers er de dienst uit. Gedurende de regeringsperiode van Elizabeth (1558-1603) nam het aantal artistieke immigranten verder toe. Menig kunstenaar trok naar Engeland om aan geloofsvervolging in Vlaanderen te ontkomen. In de loop van de 17de eeuw kwamen daar nog eens tientallen Noord-Nederlanders bij. Ze werden veelal ondersteund door Charles I, een enthousiast kunstliefhebber die zich ook tot het uiterste heeft ingespannen om Rubens en Van Dijck naar Engeland te halen.

Engelse kunstenaars moesten al die tijd met lede ogen toezien hoe de meest eervolle en best betaalde opdrachten werden ingepikt door buitenlanders. 'We abandon our own countraymen and resort unto straungers', luidde een klacht uit 1531. De voorspelling dat er op deze manier nooit een eigen schilderschool van de grond zou komen bleek maar al te zeer bewaarheid te worden. Tot in de achttiende eeuw zouden in Engeland buitenlandse schilders de dienst uit maken.

Daarmee is overigens beslist niet gezegd dat er al die tijd geen interessante Engelse kunstenaars zijn geweest. Op de tentoonstelling is een mooie Holbein-achtige kop van John Bettes te zien. Hij was de eerste Engelse schilder die zijn nationaliteit op een paneel vermeldde, ironisch genoeg in het frans: 'faict par John Bettes, anglois'. Van de 'limner' (miniatuurschilder) Nicholas Hilliard (1546/47-1618) zijn enkele piepkleine, virtuoos geschilderde portretjes te zien. Zijn tijdgenoot William Larkin heeft zich in zijn portretten uitgeleefd in een duizelingwekkende detaillering van kleding, kant, tapijten en gordijnen.

De titel van de tentoonstelling is zorgvuldig geformuleerd: het betreft 'painting in England', en dus niet 'painting in Britain' of 'English painting'. Deze nuance moet aan museumdirecteur Nicholas Serota voorbij zijn gegaan zijn, getuige de uitspraken in zijn voorwoord: 'Unusually, the exhibition sets the British art of this time in a European context'. Aangezien tachtig procent van de geëxposeerde kunstenaars op het Europese vasteland is geboren en opgeleid, lijkt me die Europese context niet 'ongewoon' maar onvermijdelijk. Ook zijn opmerking dat Britse kunst ondanks haar 'special qualities' niet geïsoleerd staat van de rest van Europa is een gotspe. Engeland beschikte in de genoemde periode simpelweg niet over een eigen schilderschool, zoals andere teksten in de verder uitstekende catalogus aantonen.

Tot de hoogtepunten van de tentoonstelling behoort zonder enige twijfel het werk van Hans Holbein. Het aantal schilderijen van zijn hand is weliswaar beperkt - jammer, dat het portret van Henry VIII uit de Thyssen-Bornemisza collectie ontbreekt -, maar dat wordt goedgemaakt door een serie prachtige tekeningen. Met zacht aaiende potloodstreepjes heeft Holbein de koele gelaatsuitdrukking van de Hertog van Bedford op het papier getoverd. Zijn (blinde) rechteroog heeft een wezenloze uitdrukking, maar het linkeroog lijkt dubbel zo alert. Interessant zijn de aanduidingen van kleuren ('silbe, rot') die Holbein voor toekomstig gebruik op de tekening heeft genoteerd.

Na een overvloed aan portretten is het een opluchting dat in de laatste twee zalen ook andere genres aan bod komen. Een prachtig gezicht op Londen bijvoorbeeld, geschilderd door een anonieme meester. Het schilderij ('Anglo-Dutch school') oogt zeer Hollands: tweederde van het paneel wordt door een stemmige grijze wolkendeken in beslag genomen. Daaronder liggen de ogenschijnlijk uit speculaas opgetrokken Londense huisjes, en de Thames wordt druk bevaren. De stad oogt lieflijk, maar wie goed kijkt ziet een luguber detail. De afgehakte hoofden van geëxecuteerden zijn op ijzeren staken boven de toegangspoort bij London Bridge gespietst.