D66-fractievoorzitter Gerrit Jan Wolffensperger over zijn 'klotebaan'; Opeens richt zich alles op mij, de donderwolk hangt boven me

D66 fractieleider Wolffensperger heeft zijn fractie in de Kamer onzichtbaar laten worden tussen PvdA en VVD. Hij moest een taxatiefout erkennen in het debat-Sorgdrager. Partijleider Van Mierlo is goeddeels afwezig, de fractieleider is zich nog volop aan het invechten. Grootste probleem: waar gaat D66 in 1998 de verkiezingen mee in? De zoektocht van Gerrit Jan naar issues en een identiteit voor D66. Een functioneringsgesprek.

De fractievoorzitter heeft een paar rotweken achter de rug, zegt hij. Gerrit Jan Wolffensperger (51), leider van de fractie van D66, loopt verend door zijn werkkamer, gespannen als een hoogspringer voor de sprong. Zegt: het is het voortdurende gevoel van ik-mag-nu-geen-fouten-maken.

Op de marmeren schouw staat een gele miniatuur glasbak: aandenken aan de periode van acht jaar dat hij wethouder was van Amsterdam. Verder een ruime vergadertafel, een haaks bureau en een zitje. Trots: “Dat tafeltje heb ik zelf ontworpen.”

Wolffensperger kreeg een spervuur van kritiek over zich heen na het Kamerdebat met zijn partijgenoot minister Sorgdrager (justitie) twee weken terug over de gouden handdruk voor de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Volgens zijn critici, onder wie voorzitter Eddy Schuyer van de D66-fractie in de Eerste Kamer, heeft Wolffensperger passief toegekeken terwijl de Kamer gehakt maakte van Sorgdrager. Bovendien heeft hij-Brutus een afkeurende motie laten mee-ondertekenen die de minister op de rand van aftreden bracht.

Enige weken eerder zorgde het onzekere optreden van de door griep geplaagde fractievoorzitter bij de Algemene Politieke Beschouwingen al voor onrust in de partij. Dat optreden had het toch al bleke profiel van de 'junior coalitie-partner' (Wallage) geen goed gedaan. Geruchten over het vertrek van Wolffensperger en vertrouwelijke mededelingen over een zware depressie deden de ronde.

“Wat er de afgelopen week gebeurde, deed me ontzettend denken aan een vergelijkbare situatie toen ik nog wethouder was van Amsterdam,” zegt Wolffensperger. Hij zit in een leren fauteuil, één been over de leuning. Ontspannen maar alert. “Destijds was er ook een moment dat opeens alle pijlen zich op mij richtten. De raad was bijzonder ontevreden over mijn onderwijsbegroting. En alle kranten schreven opeens dat Wolffenspergers beleid fout was. Niets deed ik goed. Nu had ik het gevoel 'god, het gebeurt weer'. Opeens richt zich alles op mij: de donderwolk hangt boven me.”

Welk effect heeft die negatieve publiciteit op u?

“Berichten die je oprecht niet juist vindt, die glijden eigenlijk langs je kouwe kleren af. Terwijl negatieve publiciteit die bij jou een kern raakt, van 'ja, auw!', die steekt veel dieper. En zulke dingen zijn er natuurlijk ook geweest. Het vervelendst waren natuurlijk berichten de afgelopen tijd die evidente canards waren. Er is een bericht verschenen met als een suggestie in de kop dat er een team zou zijn dat over de vervanging van Wolffensperger zou praten. Dit was een uiterst merkwaardig door elkaar heen klutsen van wat er aan de hand is. Er bestaat wel een groep, maar daarvan ben ikzelf oprichter en voorzitter en we spreken over geheel andere zaken. Dat ik weg zou gaan, sloeg helemaal nergens op. Voor mij is zo'n bericht niet erg, want ik weet dat het niet waar is. Maar de partij, die volgende week congresseert, die wordt onrustig. Dus ik heb daar last van.”

Hoe beoordeelt u achteraf uw optreden in het Van Randwijck-debat en bij de Algemene Beschouwingen?

“Het debat over de Algemene Beschouwingen heeft bij mij een veel dieper trauma achtergelaten. Ik heb daar een nachtmerrie meegemaakt met veertig graden koorts op het katheder, terwijl ik voelde dat het niet goed ging. Ik stond daar niet lekker, zat niet goed in mijn vel. Daar heb ik vreselijk mee gezeten. De affaire-Van Randwijck is een totaal andere zaak. We hebben een beslissing genomen - ikzelf samen met een aantal anderen. Van die beslissing, om die motie mee te ondertekenen, daar mag je vinden wat je ervan vindt, maar er is geen sprake geweest van paniek. Daarover ben ik laconieker. Ik heb dat na afloop als een taxatiefout erkend.”

Er zijn commentaren geweest die zeiden dat de fout zat bij Sorgdrager. Zij zou te heftig gereageerd hebben op een ongevaarlijke motie en daardoor Wolffensperger in de problemen gebracht hebben.

“Laat ik het voorzichtig zeggen. Winnie raakte in de tweede termijn van het debat in moeilijkheden. Niet door de motie. Ze begreep dat die niet bedoeld was als een motie van afkeuring. Winnie kwam ongewild toch in de problemen omdat ze in de eerste termijn de suggestie had gewekt dat er ruimte zou zijn om de overeenkomst met Van Randwijck zoveel mogelijk naar beneden bij te stellen. In de tweede termijn wist ze dat dat niet mogelijk zou zijn, en juist op dat punt werd ze natuurlijk genadeloos getackled door de andere fracties.

“Mijn afweging was dat een dergelijke motie alleen van PvdA en VVD een soort scheur in de coalitie zou veroorzaken en daardoor politiek harder aan zou komen bij Sorgdrager. Begrijp me goed, de sfeer tussen Winnie en mij is uitstekend, maar ik probeer te analyseren wat er aan de hand was. Winnie had wat meer moeite met haar beantwoording. De sfeer was grimmiger geworden. PvdA-collega Wallage had die motie ingediend met een toelichting die ik niet voor mijn rekening wilde nemen. Boris Dittrich voerde voor ons het woord dus ik kon moeilijk naar de microfoon kon hollen en roepen: Zo niet! Zo niet! Wel heb ik onmiddellijk een briefje aan Winnie geschreven met de mededeling dat ik een derde termijn zou aanvragen om het recht te zetten. In de derde plaats kreeg Winnie signalen van buíten de Kamer, briefjes van haar collega-ministers die veel moeite hadden met überhaupt een motie tegen een D66-minister.”

Waarom noemde u het een taxatiefout? Uit uw analyse nu blijkt dat u door de handelwijze van Sorgdrager geen andere mogelijkheid had.

“In de politiek kan het zeer verstandig zijn om op een bepaald punt te zeggen: ik neem de verantwoordelijkheid op me.”

Dan het andere trauma: de algemene beschouwingen. Iemand had u toch kunnen vervangen?

“Politiek is natuurlijk iets zeer menselijks. Ik wilde de supervervelende schijn vermijden dat mensen achteraf zouden kunnen denken: 'zou die jongen gestressed zijn of zo?' Maar van stress krijg je geen veertig graden koorts. Natuurlijk had Roger (vice-fractievoorzitter Van Boxtel, red.) me kunnen vervangen. De reden dat ik besloot het zelf te doen, was in de eerste plaats, omdat ik verwachtte (met stemverheffing): Ik doe het toch wel goed, ja?! Met al die Amerikaanse wonderpillen die ik in mij gestopt had. Bovendien had ik korte tijd ervoor al een fractievoorzittersdebat gemist met Bolkestein over de minderheden, omdat ik was uitgeschakeld door een operatie. Ik vond het ontzettend vervelend om twee van die debatten achter elkaar niet op het katheder te staan.

“Het zijn natuurlijk wel zaken waarvan je niet voortdurend loopt te jubelen en te fluiten van wat-gaat-het-lekker. En het is de partij die moet begrijpen wat er is gebeurd. De kranten zijn na een week over, maar de partij wil weten of de fractievoorzitter wel goed functioneert.”

Functioneert de fractievoorzitter goed?

“Ik heb de neiging om te zeggen dat anderen dat moeten beoordelen.”

Functioneert u als fractievoorzitter anders dan bijvoorbeeld als wethouder van Amsterdam?

“Dat is een fantastische leerschool. Het wethouderschap is harder. Dichter bij de grond. Concreter. Je wordt harder aangevallen. Harder dan een minister. Omdat het om dingen gaat die mensen kunnen pakken op straat. Het wethouderschap in Amsterdam behoort tot de allerzwaarste banen die er in het land zijn. Net zo zwaar als het fractievoorzitterschap, riep hij vrolijk. Dat komt doordat het heel direct was. Als verantwoordelijke voor herhuisvesting had ik voortdurend met het kraakwezen te maken. Dat leidde af en toe tot directe confrontaties. Ik heb wel eens moeten vechten om een café uit te komen. Nu ben ik niet zo bang uitgevallen en ik heb een tamelijk harde rechtse. Ik kan er behoorlijk mee overweg, zeker als ik kwaad ben.

“Het fractievoorzitterschap is op een andere manier zwaar. Je bent niet uitvoerend. Ik word niet aangekeken op maatregelen, die ik getroffen heb. Je wordt beoordeeld op je woorden, op je herkenbaarheid. Het probleem is dat die beoordeling voortdurend en van meerdere kanten gebeurt. Vanuit je partij, de krant, het Nederlandse volk. Je moet als het ware vele gremia tegelijkertijd bedienen.”

CDA-fractievoorzitter Heerma was tegelijk met u wethouder. Speelt dat nu nog een rol?

“Oude banden gaan nooit verloren. Af en toe slaan we de armen om elkaars schouders en roepen we: wat een klotebaan hebben we toch alletwee. Wie had dat ooit gedacht. We zijn vorig jaar op dezelfde dag fractievoorzitter geworden. Maar in het politieke optreden speelt het verder geen rol.”

U bent ruim een jaar fractievoorzitter. Is de transitieperiode nu voorbij?

“Ik heb het afgelopen jaar twee keer wat veranderd aan mijn eigen rol in deze partij. Het eerste half jaar is opgegaan aan het ordenen van de fractie. Dat is vrij prozaïsch: het binnenbrengen van achttien nieuwe fractileden, ondersteunend personeel, sollicitatieprocedures, het ombouwen van het rechtspositiereglement etcetera. Na de Statenverkiezingen hing daar het beeld dat we electoraal wat aan het zakken waren. Toen heerste bij ons heel sterk het idee dat we reusáchtige dingen moesten doen om dat te niet te doen. Daarover heb ik een notitie geschreven voor de fractie. Maar tijdens het zomerreces ben ik tot de conclusie gekomen - en dat is het tweede punt waar ik lering heb getrokken - dat een fractievoorzitter vooral niet moet proberen om alles naar zich toe te trekken. Ik heb tegen de fractie gezegd: luister eens, er moeten in deze partij een heleboel dingen gebeuren, maar het belangrijkste voor mij is, dat ik er hier en nu ben. Dat ik dus noodgedwongen niet meer de onmisbare schakel kan zijn in een aantal wezenlijke dingen zoals bijvoorbeeld het denken over de koers van D66 en over hoe een partij anno '95 moet communiceren met de burgers, al wil er zeker bij betrokken blijven.”

U heeft uw ambitieniveau teruggeschroefd?

“Nou, nee. Juist hoger opgeschroefd. (Nadrukkelijk) Ik wil nu hier zijn.”

Maar eerst wilde u alles doen en nu focust u op de fractie.

“Zo samengevat klinkt het een beetje hoogmoedig. De transitieperiode heb ik afgesloten door tegen de fractie te zeggen: jongens, er moet een heleboel gebeuren, maar onze allereerste prioriteit moet zijn dat die fractie goed loopt. Zorgen dat die fractie helder over het voetlicht komt en met enige assertiviteit stelling neemt tussen VVD en PvdA.”

Laatst dumpte PvdA-minister Melkert de referendum-gedachte als een modieus verschijnsel uit de jaren zestig. Toch liet u niets van zich horen. Waarom Melkert niet, om met uw partijleider Van Mierlo te spreken, de oren van zijn kop getrokken?

“De uitlating van Melkert was voor mij zonder meer een reden om hem per interpellatie naar de Kamer te halen, als ik niet om een andere reden had gemeend dat het op dat moment niet verstandig was. Maar ik vind het dus gewoon niet kúnnen dat een minister, die op dít regeerakoord in het kabinet zit, zo'n uitspraak doet. Hij mag in de Trêveszaal (waar de ministerraad vergadert, red.) roepen dat hij het allemaal shit vindt. Naar buiten toe heeft hij het regeerakkoord te verdedigen.”

Maar nu heeft u dit niet in de Kamer gezegd tegen Melkert.

“Daar was een praktische reden voor: wij wisten dat de definitieve beslissing over het referendum de daaropvolgende vrijdag in het kabinet zou zijn. Een interpellatie van Melkert zou een groot Kamerdebat hebben opgeleverd waarbij de tegenstanders, ook de VVD, breed hadden kunnen uitmeten wat hun bezwaren waren. Dat vonden wij twee dagen voor de kabinetsbeslissing uitermate onverstandig. Wij waren uit op resultaat en niet op de heer Melkert. Maar als hij op een ander punt hetzelfde doet, dan zal ik hem wél naar de Kamer halen. Natúúrlijk! Ik heb weer veel geleerd de afgelopen tijd en mijn vechtlust neemt alleen maar toe.”

Is het grote gevaar voor D66 niet dat de fractie precies zit op het punt waar PvdA en VVD elkaar ontmoeten? Daardoor bent u nu vaak onzichtbaar.

“Dat is het wezenlijk punt, waar we de laatste tijd vaak over gepraat hebben. Bij de Algemene Beschouwingen wordt vastgesteld dat er een overschot is door economische groei. De VVD zegt: dat moet integraal naar de staatsschuld. Terwijl de PvdA zegt dat het integraal naar de lastenverlichting voor werknemers moet. Tegelijkertijd heeft D66 besloten dat het verreweg het verstandigste is om van jaar tot jaar te bepalen wat er moet gebeuren, afhankelijk van de economische omstandigheden. Dan is het pijnlijk voor mij dat dat precies het standpunt van het kabinet is. Daar profileer ik mij niet heftig mee. Maar het is wel het standpunt dat wij naar eer en geweten, los van PvdA en VVD, hebben ontwikkeld. Wij moeten uit die middenpositie komen door op de terreinen die ons dierbaar zijn, waar wij een uitgesprokener standpunt over hebben het voortouw nemen. Wij mogen nooit in de sandwich raken, wij moeten in de driehoek komen.”

Hoe bedoelt u?

“We hebben vooral te maken met de VVD, die electoraal sterk scoort. Dat komt niet alleen door één meneer met stevige uitspraken over de minderheden. Volgens mij scoort de VVD omdat onder het electoraat de angst leeft voor te snelle verandering: een duidelijk conservatieve inslag. Je kunt Bolkestein nageven dat hij heel nauwgezet inspeelt op de conservatieve tendens in de samenleving. Ik geef daar geen waardeoordeel over: dat mag. Ik zal Bolkestein nooit verwijten dat hij een racist is. Ik heb wel tegen hem gezegd dat hij conservatief is en met name een bloedhekel heeft aan alles wat naar idealen ruikt. Maar ik hou rekening met een VVD die, gebaseerd op dat electoraat, voorlopig een grote partij zal zijn om rekening mee te houden. Dus dwingt de opkomst van de VVD de progressieve partijen, PvdA en D66, tot een bezinning op de idealen die ze moeten stellen tegenover het realisme van de VVD.

“Door het regeerakoord en door het Paarse kabinet is een aantal zaken gerealiseerd, die wezenlijk zijn voor D66. Maar we moeten verder. Dus praat ik nu met een paar mensen om te bepalen wat nu de hoofdlijnen zijn waarmee we in 1998 de kiezer tegemoet kunnen treden. Wat ik dus wil is, dat we voorafgaande aan het verkiezingsprogramma ons rekenschap geven van vanuit welke identiteit we die nieuwe issues kunnen koppelen aan onze oorsprong. Over uw hoofd roep ik dus naar Hans van Mierlo: dat is dus geen beginselprogramma of zo. Want daar zijn wij beiden tegenstander van.”

Maar wat is de betrokkenheid van de partijleider bij dit alles dan wel?

“We hebben er natuurlijk wel over gepraat. Ik denk dat Van Mierlo er bewust voor gekozen heeft om dit soort zaken aan de partij over te laten. ”

Eerder bleek dat Van Mierlo en u verschillen van inzicht over de tijdelijkheid van D66.

“Hans kijkt op een andere manier naar de Nederlandse politiek. Hij spreekt de verwachting uit dat D66 in het jaar 2005 er niet meer zal zijn en die uitspraak is waarschijnlijk juist. Maar ik heb een andere verantwoordelijkheid. Ik moet ervoor zorgen dat D66 in '98 met een fris, helder en duidelijk programma komt. Ik moet zorgen dat de tent blijft draaien. Ik ben de bedrijfsleider.”

En Van Mierlo is de directeur?

“President-commissaris. Zullen we dat ervan maken? Ik denk dat wat Hans en ik zeggen over de toekomst twee manieren zijn om te kijken naar hetzelfde.”

Als de president-commissaris streeft naar fusie, maar de bedrijfsleider wil per se het filiaal overeind houden, heb je toch een probleem.

“Er is niemand die zegt dat er op dít moment één progressieve partij moet komen. Ik ben het met Hans eens als hij zegt: ik kan je niet garanderen dat de politieke situatie in 2005 zo is, zoals ze nu is. Aan de andere kant is Hans het met mij eens dat ik een aantal maatregelen moet treffen om te zorgen dat die partij na 'paars' helder en herkenbaar aan de verkiezingen komt. Het zijn dus verschillende dingen die u aan elkaar koppelt.

In 1989 voorspelde u in Vrij Nederland de teloorgang van het CDA door het vertrek van Lubbers en enorme verschuivingen in de politieke verhoudingen. Brinkman zou niet in Lubbers' schaduw kunnen staan. Doet u nu eens een voorspelling voor D66?

“De verschillen met de situatie waarin het CDA verkeerde en waarin wij zitten zijn vele malen groter dan de gelijkenissen. Cruciaal verschil is dat Lubbers de fout had gemaakt Brinkman als zijn opvolger aan te wijzen. Wij zullen van zijn lang-zal-ze-leven niet een opvolger aanwijzen voordat het zover is. Wij proberen een aantal goede mensen in de voorposten te zetten zodat iedereen kan zien dat er een aantal kandidaten is waaruit straks gekozen kan worden.”

Een aantal kandidaat-opvolgers? Sorgdrager is aangeschroeid en Tommel hangt aan het spit bij een parlementair onderzoek. Alle pijlen richten zich op Wolffensperger. Wie garandeert dat minister Wijers en staatssecretaris Kohnstamm de komende drie jaar niet aan de beurt komen?

“Op het ogenblik ligt er een aantal D66'ers onder vuur, over een paar maanden zijn het ministers van andere partijen.”

U bouwt al dossiertjes?

“Ongetwijfeld. Nee, een gut feeling zou Van Mierlo dat noemen. En het is niet waar dat een bewindspersoon die een keer onder vuur komt te liggen meteen uit die eerste rij is getreden. Natuurlijk reken ik Sorgdrager tot degenen die het leiderschap potentieel kunnen overnemen. Hans Wijers idem.”

De indruk bestaat dat Van Mierlo zich ook niet bemoeit met de immer onderhuids gevoerde discussies in D66 over zijn opvolging.

“Dat is nog simpeler. Daar geldt gewoon dat werkelijk alle betrokkenen en al diegenen die er ooit bij betrokken zouden kunnen worden, het volstrekt eens zijn over de lijn die daarin gevolgd moet worden. Namelijk op het moment dat er een opvolgingskwestie is, zullen we bepalen wie het gaat doen. Het feit dat we nu de garantie hebben dat we meerdere kandidaten hebben, maakt dat het ook buitengewoon stóm zou zijn om daar nu al afspraken over te maken. Wie weet wie er nog beschadigd wordt. Wie er onder de tram komt of opeens zegt dat hij toch maar op een eiland in de Stille Zuidzee gaat wonen.”

Toch is het moeilijk te geloven dat de hele partij afwacht tot 1 januari 1998.

“Ik had het over alle betrokkenen en mensen die bij de opvolgingskwestie betrokken zouden kunnen worden. Natuurlijk wordt er in de partij over gepraat. En zijn er ook voorkeuren en dat soort dingen. Dat is geen politieke move of zo. Ik zou me geen raad weten, als we nu zouden moeten beslissen. Wie weet gaat Hans wel helemaal niet weg. Dan ben je toch heel raar bezig als je nu al een opvolger gaat aanwijzen. Ik ben eigenlijk dolgelukkig dat ik met dat fractievoorzitterschap, wat ik als een zware baan beschouw, niet ook nog een keer de enige kroonprins ben. Ik heb geen zin om een tweede Brinkman te worden.”