Club van mooie jongens laat Britse popmuziek herleven

Concert: Menswear. Gehoord: 16/11 Arena, Amsterdam.

De ironie druipt er van af: een groep die zich Menswear ('Herenmode') noemt en die al een platencontract had voordat er ook nog maar een noot gespeeld was. In de euforie van de huidige opleving in de Britse popmuziek is kennelijk alles mogelijk, als je maar een grote bek en een trendy overhemd hebt. Nog voordat het debuutalbum Nuisance in de winkels lag, werd het Londense vijftal al vergeleken met coryfeeën als The Who en Roxy Music. Pas nu Menswear in de aandacht van de Britse muziekpers alweer plaats heeft moeten maken voor the next big thing, blijkt dat ze eigenlijk lang geen slechte muziek maken.

De renaissance van de Britpop vindt zijn oorsprong in het feit dat jonge muzikanten terug durven grijpen op het popverleden. Oasis wil niets liever dan de nieuwe Beatles zijn, Blur spiegelt zich aan The Kinks en in de muziek van Pulp weerklinkt een echo van de jonge David Bowie. In het kader van het geprefabriceerde imago van Menswear is het grappig om vast te stellen waar ze hun inspiratie opdeden. De korte popsongs, de zoete samenzang en het lullige orgeltje lijken hier en daar sprekend op de muziek van The Monkees, de Amerikaanse televisie-popgroep waarvan gefluisterd werd dat ze te slecht waren om op hun eigen platen te spelen. Menswear stopt de jaren zestig-invloeden in een hoekig new wave-jasje, terwijl de gitaristen er alles aan doen om het ruwe punkgevoel van The Undertones in drie akkoorden te vangen.

Menswear zou geen Engelse popgroep zijn, als de muziek niet met een forse dosis arrogantie op het buitenland werd losgelaten. “Prachtig, nietwaar?” zo kondigde de potloodmagere Johnny Dean een nummer af. “Wij vinden van wel,” voegde hij er ten overvloede aan toe. Hoewel hij geen groot zanger is, kronkelde hij over het podium met de theatrale gebaren van iemand die goed naar Bowie, Bryan Ferry en Suede's Brett Anderson heeft gekeken. Zijn microfoon houdt hij vast alsof het een sigaret is die regelmatig moet worden afgetikt. Dean heeft de bestudeerde uitstraling van een glamrock-ster die zich ver verheven voelt boven het gewoel van een zaal vol mensen, terwijl hij minzaam reageert op de aandacht van de bewonderende meisjes aan zijn voeten. Ondertussen speelt Menswear zonnige popliedjes als Hollywood girl en I'll manage somehow, waarin een verloren liefde ijskoud wordt bezongen met de onbewogen woorden 'My favourite thing has gone away...'

Binnen de drie kwartier die het nog wat magere repertoire omvat, werd een potsierlijke reprise van de hit Daydreamer gespeeld met disco-ritme en ingeblikte trompetten uit het toetsenbord. Naast de zingende zaag was het een van de geluidstechnische troeven van de anonieme toetsenman, die achter de installatie was opgesteld omdat hij blijkbaar te lelijk is om als volwaardig lid tot deze mooie-jongensclub te worden toegelaten. Dat ze daarbij ook nog een instrument kunnen vasthouden, is een gelukkig toeval.