Algerije

JUAN GOYTISOLO: Dialoog met extremisten. Het Algerijnse dilemma

126 blz., Babylon De Geus 1995, ƒ 29,50

Als de Algerijnse presidentsverkiezingen van deze week iets hebben kunnen aangeven, dan is het de uitzichtloosheid van de situatie waarin het land verkeert. Sinds het islamistische Heilsfront (FIS) in 1992 zijn democratische verkiezingszege werd afgenomen, zijn meer dan 30.000 Algerijnen omgekomen in de burgeroorlog. Iedere dag opnieuw gaan 60 Algerijnen letterlijk voor de bijl. Wie kan deze orgie van moord en doodslag nog verklaren?

De Spaanse schrijver Juan Goytisolo, die naam maakte als dissident onder het regime van Franco, reisde verschillende keren af naar Algerije om zich daar - geflankeerd door zijn Algerijnse schrijversvrienden - in het hol van de leeuw te wagen. Zijn waarnemingen in Blida, een stadje ten zuidwesten van Algiers en een van de kweekvijvers van het FIS, bevestigen dat de islamisten in een groot deel van het land de macht nagenoeg hebben overgenomen. Tijdens zijn wandelingen door Algiers stoot hij geen enkele keer op legerpatrouilles of politie-agenten, ook niet bij de nu vervallen moskee in Baab al-Oued waar FIS-leider imam Ali Belhadj voor zijn arrestatie schande sprak van de wandaden van het “goddeloze” regime. Kapsalons zijn vanwege de obsessie van de fundamentalisten met het vrouwelijke schoon alle dichtgespijkerd. Standbeelden van nationalistische helden uit vroger tijd worden van hun sokkel gehaald zonder dat ook maar een overheidsfunctionaris durft te protesteren. De Algerijnse president Zeroual mag dan presidentsverkiezingen organiseren, er valt weinig meer te regeren.

Hoewel Goytisolo in zijn zojuist vertaalde Dialoog met extremisten weinig nieuws weet te melden, ongetwijfeld omdat in Algerije niemand nog een journalist in vertrouwen neemt, wordt wel duidelijk welke sfeer er in de eens zo bruisende hoofdstad hangt. “Niemand blijft nog even hangen na het werk”, zegt een inwoner van Algiers. “Zonder dat er een avondklok is ingesteld, lopen de straten leeg: daar zorgt de angst voor. In deze overbevolkte stad kan men sinds kort alleen zijn.”

Goytisolo's poging om een verklaring te bieden voor de onvoorstelbare omgang van het geweld, loopt meteen al spaak wanneer hij de vraag oppert “Wie doodt wie?” Naast het leger, de doodseskaders en de islamistische groeperingen, waren tientallen mafia-bendes rond die meegaan in de doodsdrift van hun meer ideologische collega's. Goytisolo weet correct aan te geven waarom het land door een weinig fortuinlijk socialistisch experiment en de corruptie van de bazen van de regeringspartij (FLN) aanstuurde op een politieke crisis, maar zijn steriele argumenten maken niet begrijpelijk waarom kinderen in stukken worden gehakt of vrouwen worden onthoofd omdat zij de sluier durfden te weigeren. De Amerikaanse politicoloog Donald Horowitz merkte eens op dat “bloedige conflicten een bloedige analyse behoeven”. Goytisolo's boekje is te keurig om aan deze eis te voldoen.

Een zekere nuchterheid is echter meer op zijn plaats wanneer het aankomt op het aandragen van oplossingen voor het conflict. Volgens Goytisolo kan alleen een dialoog tussen de regering en het FIS voorkomen dat Algerije door een voortdurende strijd tussen clans “in duizend stukjes uiteenvalt”.

Hoewel de schrijver zelf de simplistische slogans van het FIS verafschuwt, moet volgens hem onderkend worden dat het islamisme “de immense massa” die niet deelt in “het nieuwe oecumenische dogma van het Westen” een handreiking biedt voor maatschappelijke vernieuwing. Goytisolo kijkt daarbij terug naar zijn eigen kritische opstelling ten aanzien van Franco die als leider weliswaar niet deugde, maar wel ervoor heeft gezorgd dat Spanje “definitief modern” werd. Eindelijk “was de impuls van binnenuit gekomen”.

Het FIS zou in het schizofrene Algerije een soortgelijke functie kunnen vervullen. Opnieuw zou daarom aan de Algerijnen de vraag voorgelegd moeten worden of zij nog steeds een fundamentalistisch monster van eigen bodem verkiezen boven de generaals die hen nu met tanks en helikopters te lijf gaan.