Kazuo Ishiguro over de schitterende zeepbel van de jeugd

“Wij,” zegt de Engelse schrijver Kazuo Ishiguro, “nemen geen genoegen met eten, voortplanten en sterven. We willen iets betekenen.” In The Remains of the Day liet Ishiguro zien hoe een butler zich aan zijn beroep vastklampt. In zijn nieuwe boek speelt een succesvolle pianist de hoofdrol, die beseft dat je geen greep kunt krijgen op het leven. “Ik wil nu laten zien hoe we het leven doorblunderen.”

In dit Londense hotel is het altijd zondagmorgen. Beschaafde barokmuziek kruipt omlaag langs de oudroze muren met het roomwitte sierpleisterwerk. De kroonluchters zijn het twinkelen verleerd, maar laten genadig geel licht ploffen op de kalme hoofden in de lounge. Men zit, men leest, men zegt eens wat. Meestal is men oud. Dan wervelt er verwarring op. De sleutel is zoek. Ja, de sleutel van de bar is zoek. Een hotelknecht, jong en stralend in zijn gestreepte barkeepervest, kan rekenen op ieders belangstelling sedert hij vergeefs morrelde aan de glazen deur naar de donkerhouten toog, de krukken met hun koperen beslag en de rij flessen tegen de uitgestrekte spiegel. Een stolp van met welbehagen uitgesproken ‘Queen’s English’ omhult hem. Iedereen leeft mee. Niemand doet iets. Niemand zegt bijvoorbeeld dat er eerder al een andere knecht in zo’n zelfde uniform de deur opende, naar binnen ging en achter zich afsloot.

Ik realiseer me dat ik me laat meeslepen door niet te verantwoorden associatiedrang maar ik kan niet anders: ik zit te wachten op de schrijver Kazuo Ishiguro en weet me opgenomen in de sfeer van zijn nieuwste boek, The Unconsoled. Brandpunt van die roman is een hotel als dit, waar habitués en personeel het gedrag van de gasten bepalen, waar een verdwenen sleutel het begin zou kunnen zijn van een barre tocht. Naar een overvol zonnig terras op een stadsplein, naar een winderige nieuwbouwwijk, naar een zelfgenoegzaam schrale galerie in een boerenschuur vol kakelende nouveau riche. En eeuwig zou die tocht weer terug leiden naar deze zaal in dit hotel met deze mensen. Plaats van vertrek is onverbiddelijk plaats van aankomst. Aan het zonnige plein zal zich dus een kleine poort naar het hotel blijken te bevinden, de achterkant van de galerijflat blijkt uit te kijken op de deur van de hotelkeuken, en in de galerie staat hoogstwaarschijnlijk de hotelmanager al te wachten, met verdroogde modder aan zijn broekspijp, ongerust en gespannen. Zonder dat je dat wist had hij zich tot taak gesteld om je met zijn eigen auto op te halen en hoe kom je nu zo laat? Zo gaat dat steeds in The Unconsoled in een wereld waar de tijd nu eens pas op de plaats maakt en dan weer naar voren buitelt of ver terug en waar de ruimte is ingericht volgens de onlogica van een schimmenrijk, van het rijk van de Hartenkoningin uit Alice in Wonderland, van Twilight Zone.

“Het is er saai maar vertel ze niet dat ik dat heb gezegd,” drukte Ishiguro me op het hart toen we per telefoon een afspraak maakten in dit hotel. Inderdaad. Hier is het saai. Hier kan dus alles beginnen en alles aflopen.

Ook al in de stijl van The Unconsoled blijken we onzichtbaar voor elkaar op de ander te wachten, gescheiden door een kleine gang die ik pas na een kwartier onderken. Vijf minuten later durf ik er doorheen te gaan en daar zit hij, in een rank stoeltje op poten die hun knieën buigen. Kazuo Ishiguro. Japans, tot aan zijn eerste mimiek, zijn eerste woorden, zijn handdruk. Dan wordt hij bijna overvolledig de Engelsman waartoe hij is opgevoed sinds hij als vijfjarige uit Nagasaki emigreerde.

Nederlands voetbal

Na wat doorsteekjes, trappen en lounges belanden we een of twee etages hoger in een theesalon. We hebben het direct over voetbal. Nederlands voetbal, omdat regelmatig op de Britse woordengolven van zijn nieuwste roman de namen opduiken van Nederlandse voetballers uit de late jaren zeventig: Rensenbrink, Neeskens, Rep, Haan, Krol, de gebroeders Van de Kerkhof. De wereldberoemde pianist Ryder, hoofdpersoon van The Unconsoled, kan ze niet alleen noemen, hij weet ze te plaatsen. Ze bevolken zijn geheugen en steunen hem als de onzekerheid toeslaat. Volgens Ishiguro (1954) speelde het Nederlands elftal ooit het mooiste voetbal dat er heeft bestaan, maar dat deze namen in zijn boek terecht kwamen berust op toeval. “Ik zocht Duitse namen voor enkele van mijn personages en omdat ik geen Duits telefoonboek kon bemachtigen keek ik in een geschiedenis van het wereldkampioenschap die ik heb liggen. Bladerend stuitte ik op het Nederlands voetbal. De Nederlanders veroverden destijds de wereld met een romantische Idee. Hun aanvalssysteem ging voorbij aan specialisme, het deed een beroep op de persoonlijke verbeelding van elke speler afzonderlijk en dreef op bijna arrogante zelfverzekerdheid. De spelers werden allen verondersteld in elk opzicht briljant te zijn en binnen het vuur van het spel het belang van het collectief te doorgronden. Waar de Italianen uit zijn op persoonlijke behaagzucht, zochten de Hollanders het in de schoonheid van de samenwerking. Prachtig voetbal speelden ze, maar het was te idealistisch. Het was gedoemd ten onder te gaan tegen de pragmatische Duitsers of de lichtelijk onbetrouwbare Argentijnen. Toch was het geweldig om mee te maken hoe ver Nederland kwam met dat op romantiek en fantasie gebaseerde systeem, ondanks het cynisme en het bedrog van de rest van de wereld.”

Fantasie die zich teweer stelt tegen conventies en cynisme - Ishiguro’s laatste roman is ruim vijfhonderd onweerstaanbare pagina’s dik, maar al na één hoofstuk verbaast het niet meer dat het personage Ryder zich zo levendig het Nederlandse voetbal herinnert. Hij arriveert in een onbestemde middeneuropese provinciestad om er ter gelegenheid van een onduidelijk maar voor de stad doorslaggevend evenement een recital te geven. Hoewel hem al snel blijkt dat de algemeen geaccepteerde goede smaak een doem van krasvrij cliché heeft geworpen over het stedelijk kunstleven, blijft hij zich halsstarrig verheugen op het concert. Benard voelt hij zich doordat hij waar hij ook komt wordt omsingeld door horden van wellevende mensen. Onder luide blijken van bewondering voor zijn persoon en zijn carrière, terroriseren ze hem stuk voor stuk. Iedereen verlangt iets van hem, iedereen ontwringt hem een belofte ten bate van vaak kleinzielig eigenbelang. Tegen zijn beleefde pogingen om te weigeren heeft men zich gewapend met een stormram van goede manieren: ‘Eigenlijk meneer Ryder wilde ik u iets vragen. Het gaat om een verzoek. Als het niet kan, alstublieft, zeg het dan gewoon. ik zal het u niet kwalijk nemen’; of ‘Maar ik zeg met klem, het laatste wat ik wil is u nog meer onder druk zetten. (-) Ik wacht tot u zelf aangeeft dat u in de gelegenheid bent…’; of ‘Wilt u dat voor mij en Bruno doen? Een gunst meneer Ryder. Dat vraag ik u’.

Verstikt worden door formaliteiten, jezelf verstikken, je met masochistische overgave laten verstikken, het zijn thema’s die Ishiguro’s romans steevast hebben bepaald. The Remains of the Day, zijn voorlaatste, derde, boek, over de mensonterend toegewijde butler Stevens, schetste strikt formeel gedrag als levensvervulling. In The Unconsoled herkennen we Stevens in de oude bagageknecht Gustav, net zo vervuld van beroepstrots als de misleide butler, ontwikkeld tot net zo’n treurige hol geworden huls waar een gerijpte bejaarde man had moeten groeien. Ishiguro: “Een dergelijke figuur zat al in een subplot in mijn eerste boek. In mijn tweede, An Artist of the Floating World, heb ik hem uitgewerkt in de oude Japanse schildermeester en in The Remains heb ik hem verfijnd met een emotionele dimensie. Hem lukt het niet meer om zich te laten kwetsen en dus is hij ongeschikt voor tederheid. Stevens, Gustav en de schilder, ze overdrijven. Ze leveren zich uit aan hun carrière. Maar uitzonderlijk zijn ze niet. De meeste mensen ontlenen hun waardigheid aan de functie die ze vervullen, hoe klein ook. We nemen geen genoegen met eten, voortplanten en sterven, we willen iets betekenen. We denken iets wezenlijks bij te dragen aan de mensheid, terwijl ons belang niet anders dan klein kan zijn. Maar we geven niet op: in die geringe bijdrage zoeken we onze speciale betekenis en we gaan daarbij vaak af op wat andere mensen aandragen.

“Ik heb dat zelf ondervonden. Toen ik begon te schrijven was ik me niet bewust van mijn stijl. Ik schreef zoals ik dat gewoon vond. Alle literaire critici prezen bij herhaling de elegantie, de esthetiek, de bedwongen emoties in mijn stijl. Mijn stijl heette ‘superieur gecontroleerd’ en ik werd opgehemeld alsof ik hem opzettelijk had toegepast. Ik veinsde dat dat werkelijk zo was en genoot. Ik ging bewust schrijven in die stijl, in wat was begonnen als mijn natuurlijke stem. Ik vond dat cool en voelde me er sterk bij. Maar ik ging twijfelen. Wat zei die stijl over mijzelf? Wie schrijft voert een gesprek met zichzelf en al schrijvend begonnen die vaste principes me steeds onaangenamer te treffen. Ik vroeg me af in hoeverre het voldoen aan die eigen stijl me zou kunnen smoren. Hoe gevaarlijk zijn waarden eigenlijk die je worden opgelegd, zelfs al zijn ze je niet vreemd? Dat gepieker leidde tot The Remains of the Day. Die roman gaat over cool zijn, altijd beheerst, door niets te raken. En over het te late besef dat je je leven vergooid hebt met die vergeefse hang naar onaantastbaarheid, over het inzicht hoe dom dat is geweest.”

Promotietour

Het succes van The Remains of the Day sleepte Ishiguro mee op een drie jaar durende promotietour, ook in verband met de verfilming van de roman. Het was niet zijn eerste ervaring op dat gebied en Ishiguro realiseert zich de invloed van zulke tours. De massascènes in The Unconsoled werden geïnspireerd door zijn ervaringen op die reizen: te veel mensen die de kunstenaar nauwelijks of niet kan plaatsen. Die allemaal bevangen zijn door obligate bewondering en tegelijk tuk op wat warmte van het aureool dat ze de illustere gast zelf hebben toegedicht.

Ishiguro spreekt over contact met een internationaal publiek, waarbij opvalt dat hij niet het woord ‘readers’ bezigt, maar kiest voor het show-achtige audience. In zijn achterhoofd houdt hij rekening met een niet-Brits publiek zegt hij: “Woordspelingen laat ik achterwege, al te lokale toespelingen vermijd ik. Niet bewust, maar in een reflex, ontstaan op die tours waar ik dag in dag uit sprak met journalisten uit allerlei landen. Of dat goed of slecht is weet ik niet. Het is een gegeven in de hedendaagse literaire wereld dat je boeken worden vertaald en dat je overal over je werk moet praten met de meest uiteenlopende mensen. Die ervaring kan niet zonder gevolgen blijven. Ik vind het een gevaarlijke tendens en ik word er soms lichtelijk neurotisch van bij het schrijven. Maar dat het een neiging tot benauwd provincialisme in de weg staat, juich ik weer toe. Over een jaar of wat moet een wetenschapper maar eens bestuderen wat het effect van zulke uitvoerige publiciteitsreizen is geweest op de literatuur van deze jaren. Omdat ik weet dat ik voor een internationaal publiek schrijf, ontbreekt in mijn werk bijvoorbeeld iedere voor Engelsen vanzelfsprekende verwijzing naar het standsverschil. Nee, dat geldt ook voor The Remains of the Day. Stevens’ geschiedenis is voor het Engelse publiek net zo mythisch als voor dat in welk ander land dan ook. Butlers als hij bestaan niet meer. Als je er nog eens een ziet, dan is dat een ober en speelt hij een butler, op basis van de Engelse butler zoals hij die heeft gezien in films uit Hollywood.”

Het schrijven van The Remains of the Day noemt Ishiguro een ‘verlossing’. Het maakte de weg vrij voor de wilde, impressionistische toon van The Unconsoled. In die roman ademt het gebruik van de taal Ishiguro’s liefde voor zo helder mogelijk raken aan de kern van wat zijn personages overkomt, maar vorm en inhoud verhouden zich op een andere manier. Weg is de afgepaste dosering van het zo beheerst mogelijk vertelde, bijna kale verhaal, kenmerkend voor zijn werk sinds zijn debuut A Pale View of Hills (1982). Buitennissig zijn nu de gebeurtenissen, onbeheerst. De emotionele controle die zijn vroegere personages tekende, lijkt hier zelfs gepersifleerd in al die bijfiguren die elkaar ultra-beschaafd verdringen om aandacht van de hoofdpersoon. Ryder zelf is ten prooi aan wroeging, twijfel, wanhoop en kwellende eigendunk. Een klier en een lafaard is hij, een slechte vader, een trouweloze vriend, een teleurgestelde zoon. Desalniettemin is hij door zijn gedachtenleven intens sympathiek getekend als nooit eerder een Ishiguro-figuur, die immers altijd strikt neutraal, uitsluitend in termen van hun gedrag werden beschreven.

“The Unconsoled voelde als een eerste boek,” zegt Ishiguro stil als ik hem naar die omwenteling vraag. “Na The Remains was ik klaar met dat onderwerp en die aanpak: hoe een ouder wordende mens terugkijkt op zijn geschiedenis en zijn geheugen misbruikt om zichzelf er gunstiger uit te laten springen. Ik had die drie boeken, die culmineerden in The Remains, voltooid op mijn 33-ste. Toen ik begon aan The Unconsoled was ik 36 en had ik ingezien dat deze drie romans niet langer mijn visie op het leven weergaven. Mijn zekerheden in die boeken berustten op de brutaliteit van mijn jeugd. Mij was gebleken dat je naarmate je ouder wordt niet steeds meer, maar juist steeds minder greep krijgt op het leven, zoals de meesten van mijn leeftijdsgenoten overkomt. Je wordt wijzer, je begrijpt van alles en met het begrip stroomt de twijfel binnen. Je kunt een aanhanger zijn van een voetbalclub, maar niet van morele principes. Vroeger voelde ik onversneden minachting voor mensen wier mening me tegenstond. Nu kan ik het niet met iemand eens zijn en ik kan hem erom afwijzen, maar ik heb hoe dan ook oog voor zijn kant van de zaak.”

Droomschap

De fundamentele onzekerheid met twijfel als voornaamste inzicht gaf Ishiguro gestalte door zijn Ryder honderden pagina’s lang te laten struikelen door een wereld waar niets in vast staat. De tijd niet, de ruimte niet, en de status van wie hij ontmoet niet. Het is geen landschap dat hij doorkruist maar een droomschap. Een kristalhelder beschreven wereld die grillig omspringt met gevoel en meegevoel. Waar vrije wil niet bestaat, waar iemand tot zijn schrik plotseling op een feest verzeild raakt terwijl hij slechts gekleed gaat in een openvallende kamerjas en waar niet wordt opgekeken van ontmoetingen met de meest onverwachte oude bekenden. “Dromen op zichzelf interesseren me niet,” zegt Ishiguro, “maar ik had een omgeving nodig waarin heden en verleden naast elkaar kunnen optreden. Emoties zetten in een droom de toon, voor logica wordt geen geduld opgebracht en details worden triviaal bevonden - allemaal heel handig voor een schrijver die wil laten zien hoe we het leven doorblunderen, terwijl we doen alsof we ons laten leiden door overtuiging en een uitgewogen levenshouding.”

Behalve een gedroomde valt er in The Unconsoled een gefilmde wereld te herkennen. Ishiguro beschrijft situaties alsof hij filmscènes weergeeft en meermalen roept hij, overigens zonder direct te citeren, de sfeer op van klassieke en minder klassieke surrealisten. Buñuels La charme discret de la bourgeoisie duikt op, en Cavalcanti’s Dead of Night, maar ook de horror-dreiging uit The Shining van Stanley Kubrick en de uitgelaten wankelmoedigheid van Fellini’s 8 en Amarcord. Ishiguro knikt bij de titels die ik noem, maar schiet in de lach waneer ik zeg Marlon Brando uit A Streetcar named Desire te hebben herkend in een spekkige man met een bezweet T-shirt. “Dat was Brando niet, dat was zo’n zware somberaar uit een vroege Fellini-film. Ik weet niet precies welke. Films hebben mijn leven bepaald, literair ben ik veel minder onderlegd. Om afzonderlijke zinnen maak ik me zelden zorgen, ik formeer scènes en episodes en filmbeelden sturen daarbij mijn gedachten. De films zijn aanwezig in stijl en sfeer. Dat ik 2001: A Space Odyssey met naam en toenaam The Unconsoled in heb geschreven is een vergissing. In de hele roman weet ik de afstand tussen waan en werkelijkheid vaag te houden, maar hier geef ik me bloot. Hé, denken de lezers, Yul Brynner en Clint Eastwood, die zitten helemaal niet in die film. De zekerheid waarmee ze dat vaststellen, doorbreekt de spanning tussen waarschijnlijk en klaarblijkelijk.”

Droom- en filmbeelden, samen tonen ze de getroebleerde pianist Ryder in verschillende stadia van zijn leven. In de verlopen dirigent Brodsky, geniaal maar reddeloos verloren, herkennen we zijn angst voor wat hij zou kunnen worden, in het kille echtpaar Hofman schemeren misschien zijn ouders door. In het jongetje Boris zien we het stroeve kind dat hij geweest moet zijn. Zijn stuurs gespartel geeft aan hoe de volwassen Ryder weerspannig wil vasthouden aan de illusies van de kindertijd. “Dat is de diepste teleurstelling die we te verwerken krijgen. Hoe grimmig onze jeugd ook is, als kind gaan we ervan uit dat de wereld mooi is. Eenmaal volwassen komen we erachter dat we teerden op een leugen. Mijn dochter is nu drieënhalf en ik zie in wat voor een schitterende zeepbel ze leeft. Ik moet haar de jakkertocht zien te besparen die Ryders geest hem aandoet. Ik zal haar eens moeten helpen ongeschonden uit die bel te komen en de ruwe wereld te leren accepteren voor wat hij is.

“The Unconsoled heet niet ‘De ontroostbaren’ maar ‘De ongetroosten’, om het drama van die geknapte bel te benadrukken - het woord ‘ongetroost’ suggereert dat er troost wordt gezocht en niet gevonden. De rest van je leven ben je in de weer om de wond die dat slaat te verzachten, want genezing bestaat niet. Ryder accepteert tenslotte dat zijn leven is opgetrokken op gebarsten fundamenten en dat vrolijkt hem zelfs op. Hij kan zich op zijn minst laten verdoven door zijn kracht als musicus en merkt dat hij oppervlakkig kan genieten van andermans menselijke warmte. Hij begrijpt nu dat het onmogelijk is om over je schouder terug te kijken op een strakke levensweg waar overzichtelijk is aangegeven welke hoek je beter niet had kunnen omslaan. Ik weet dat nu ook: het leven is geen pad maar een donker bos. Zegt Dante dat ook? Ik zal de Divina Commedia eens lezen.”

Een kunstenaar van het vlietende leven. Vert. C.A.G. van den Broek. Uitg. De Arbeiderspers, 231 blz., ƒ 39,90. De rest van de dag. Uitg. De Arbeiderspers. Vert. Bartho Kriek, 260 blz., ƒ 29,90. Versluierde heuvels. Vert. Paul de Bruin en Rita Lander. Uitg. Pandora, ƒ 15,-.