Vrijheidsschreeuw Cobra gesmoord in jaartallen

Tentoonstelling: De taal van Cobra. T/m 14 jan. Cobra Museum voor Moderne Kunst, Sandbergplein 1, Amstelveen. Di t/m zo 11-17u. Cat ƒ85,-

Links van de glazen entree van het fonkelnieuwe Cobra Museum voor Moderne Kunst in Amstelveen trekt een wand vol met collages en tekeningen direct de aandacht van de bezoeker. Ze zijn bij de opening als een soort Liber Amicorum aan het museum geschonken door kunstenaars die ooit bij Cobra betrokken waren. Terwijl Cobra-coryfee Corneille op fax-papier een van zijn variaties tekende op het oude vignet van de groep, de cobraslang, stuurde beeldhouwer Tajiri een computertekening die in niets aan vroeger doet denken. Naast bekende namen als Constant, Brands en Pedersen, hangt er veel werk van onbekende kunstenaars. De dichter Bert Schierbeek haalt herinneringen op aan Parijs 1948: Waar het begon:/ Rue de Santeuil/ boven een huidenlooierij/ het stonk er/ als de pest/ geen WC./ In hoge nood/ poepten we in de dakgoot/ armoede troef/ maar ze wisten wat ze/ wilden/ ze wisten ook/ het is de blinde/ hand die schildert.

De openingstentoonstelling van het Cobra Museum is gewijd aan de verzameling van Karel van Stuijvenberg. Deze collectie is de kurk waarop het museum drijft. In ruim twintig jaar bracht de zakenman Van Stuijvenberg die sinds 1954 in Caracas, Venezuela woont, bijna vijfhonderd schilderijen, beelden en tekeningen bijeen en ongeveer duizend bladen grafiek. Het contact tussen de verzamelaar en de gemeente Amstelveen ontstond in 1988 toen de Cobrawerken te zien waren in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De gemeente wilde het stadshart commercieel en cultureel meer aanzien geven en Van Stuijvenberg zocht een onderdak voor zijn omvangrijke collectie. Begin januari 1993 presenteerde Amstelveen het ontwerp voor een Cobra-museum van architect Wim Quist. Nadat het plaatselijke bedrijfsleven zes miljoen gulden had toegezegd voor dit ambitieuze project, kon men eind 1993 met de bouw beginnen (totale kosten 17,5 miljoen).

CoBrA (Copenhague, Bruxelles, Amsterdam) heeft maar kort bestaan: van 1948 tot 1951 vormden jonge kunstenaars uit Denemarken, België en Nederland een groep die tentoonstellingen organiseerde, manifesten schreef en een tijdschrift uitgaf. Van Stuijvenberg beperkte zich niet tot deze historische periode. Kunstenaars die in 1949 deelnamen aan de beruchte tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum of twee jaar later in Luik vertegenwoordigd waren, werden door hem ook in hun verdere ontwikkeling gevolgd. De opheffing van de groep betekende niet het einde van de specifieke beeldende taal van Cobra. In de inleiding van de catalogus stelt Willemijn Stokvis dat de Cobrataal eigenlijk pas in de jaren '50 en '60 bij Appel, Jorn, Corneille en Alechinsky tot volle ontplooiing kwam. De fabeldieren lijken nu spontaan op te doemen uit de dikke, kleurige verfmassa die met krachtige gebaren is opgebracht. Belangrijke inspiratiebronnen van Cobra zijn niet-westerse en primitieve kunst en de spontane tekeningen van naïeven, kinderen en geesteszieken. De Nederlandse Cobra-kunstenaars kwamen in opstand tegen de sfeer van gezapigheid die in het naoorlogse Nederland heerste. De burgerlijke cultuur had afgedaan, zo verklaarde Constant in een manifest. Kunst moest weer een spontane uiting van levensdrift en creativiteit zijn.

Op de tentoonstelling in Amstelveen heeft men om ordening aan te brengen in de heterogene verzameling die Van Stuijvenberg bijeenbracht, de werken per kunstenaar in chronologische volgorde bij elkaar gehangen. De Nederlanders zijn op de begane grond te vinden, de anderen boven. De vrijheidsschreeuw van Cobra is zo gesmoord in een fantasieloze opsomming. Niet de kwaliteit maar de drang tot volledigheid bepaalde de keuze. Dit is een heilloze weg: een kortstondig uitstapje naar de Pop art van de beeldhouwer Heerup voegt bijvoorbeeld niets toe. Waarom is niet getracht om onderlinge verbanden aan te geven door bijvoorbeeld werken thematisch te rangschikken? De schilderijen van Constant, een van de organisatoren van de groep, hangen nu in totale afzondering aan de andere kant van de ronde binnentuin in het midden van het museum. De werken die Van Stuijvenberg in langdurig bruikleen aan het museum heeft afgestaan, zijn onderverdeeld in een A- en een B-collectie. De eerste groep van ongeveer 150 werken die nu in het museum te zien zijn, vormt de kern van de verzameling waaraan in principe niets wordt veranderd. Uit de B-collectie kunnen nog werken worden verkocht. In de toekomst zal blijken of dit een solide basis is voor een museum, dat daarnaast over een aankoopbudget van 250.000 gulden beschikt. Het museum wil jaarlijks vier grote en een zestal kleine tentoonstellingen organiseren. Voor 1996 staan Alechinsky en Corneille op het programma en in mei een overzicht van de kunstenaarsgroepen Vrij Beelden en Creatie die zich, net als Cobra, na de Tweede Wereldoorlog inzetten voor de vernieuwing van de kunst.