Van Dam (Cito) hekelt vrijblijvendheid; 'Basisonderwijs heeft geen duidelijk doel'

ARNHEM, 17 NOV. Angstige kleuterleidsters die vreesden opeens doelgericht les te moeten geven aan spelende kleuters. Ingewikkelde fusies tussen kleuter- en basisscholen. Conflicten over wie de nieuwe directeur mocht worden. Eindeloze docentenvergaderingen over 'schoolwerkplannen'. Onderwijzers die zich 'overladen' voelden, omdat zoveel nieuwe 'aandachtsgebieden' werden voorgeschreven.

Zeker, de wet op het basisonderwijs, nu tien jaar van kracht, heeft veel opgeleverd, aldus P. van Dam - spottend. Van Dam is onder-voorzitter van de afdeling primair onderwijs van de Onderwijsraad, het belangrijkste adviesorgaan van de minister van onderwijs. Hij is ook hoofd van de sector Basis- en speciaal onderwijs van het Instituut voor toetsontwikkeling (Cito), waaraan de oud-onderwijzer al 25 jaar achtereen is verbonden. In een sobere kantoorkamer in het Arnhem Building geeft hij zijn visie op tien jaar basisschool, waarin in 1985 de oude kleuter- en lagere school samengingen.

Is er door de wet iets veranderd in de klaslokalen?

“Nee. Er is vooral veel gedoe omheen geweest. In de klassen zelf wordt niet veel anders gewerkt. Twee kernproblemen in het basisonderwijs zijn hetzelfde als tien jaar geleden. Het eerste is: hoe kun je gedifferentieerd lesgeven in één klas, ook aan de besten èn aan de zwaksten? De onderwijzer past zijn lesgeven vrijwel altijd aan aan het niveau van de kinderen die net iets onder het gemiddelde zitten. Je zou dus maar bij de onderste tien procent horen! Voor hen gaat de stof telkens net iets te snel. Die kinderen krijgen zo in feite voortdurend te horen: 'jij bent dom'. En de slimsten vervelen zich. Het tweede kernprobleem is: wàt moet een kind op school leren en vooral: wat niet? Want niet alles kan tegelijk.

“Dat die twee punten niet zijn opgelost, betekent absoluut niet dat er slecht onderwijs wordt gegeven, maar wel dat er van de doelstellingen van de wet niet veel is terecht gekomen. Het onderwijs is niet slechter geworden, maar ook niet beter. De resultaten van de Eindtoets laten geen vooruitgang zien.”

Waarom mislukten de idealen?

“Tja, wat komt er terecht van innovatie? We zijn in het onderwijs altijd erg goed om te analyseren wat de tekorten zijn. Maar in de middelen om het gevonden probleem op te lossen, slaan we een pover figuur. Te weinig realiteitszin eigenlijk.

“Kleuterschool en lagere school werden samengevoegd om het probleem van de 'schoolrijpheid' op te lossen: het enorme verschil in prestatieniveau van kleuters. Sommige kinderen van vier zijn net zo ver als anderen van zeven. En hoe verder in de schoolcarrière, hoe groter die verschillen worden. Als je de twee schooltypes samenvoegde kon je al in een vroeg stadium de lessen aan die verschillen aanpassen - was de gedachte. Maar de kloof bestaat nog steeds, omdat de methoden ontbreken om echt rekening te houden met de verschillen tussen leerlingen.

“Dat staatssecretaris Netelenbos nu 100 miljoen gulden ter beschikking heeft voor 'klasse-assistenten' is mooi, hoe meer handen in de klas hoe beter. Maar het is toch een beetje de gedachte dat met wat extra middelen en enthousiasme het probleem vanzelf kleiner wordt. Zo werkt het niet. Ook het idee op de lerarenopleidingen meer aandacht te geven aan gedifferentieerd lesgeven zal niets uitmaken, want er zijn nog geen goed uitgewerkte, beproefde en succesvol gebleken onderwijssystemen.”

Maar ver voor de oorlog is toch al de 'Nieuwe-Schoolbeweging' ontstaan, met Maria Montessori, de Daltonscholen en Theo Thijssen. En toch is er nog steeds geen goed alternatief voor klassikaal lesgeven?

“Nee. Uit onderzoeken blijkt nog altijd dat de klassikale les het meest effectief is, met de beste resultaten voor kennisverwerving.”

Maar dan is er toch helemaal geen probleem?

“Dat is nog maar de vraag. Op dit moment is klassikaal lesgeven het beste compromis, maar er zijn schadelijke effecten. De besten worden afgeremd en de zwaksten krijgen onvoldoende tijd en aandacht. Bij de 'alternatieve' methodes is bijvoorbeeld nog altijd een zwak punt dat er geen stok achter de deur is. Op de gewone, klassikale scholen worden de boekjes doorgewerkt. Dat weten kinderen en dat weet de onderwijzer: die boekjes moeten af. Bij individuele benadering kan het tempo gemakkelijk verslappen.

“Ik bepleit daarom met klem experimenten met uitgewerkte alternatieven voor het 'jaarklassysteem'. Met computers kan de individuele voortgang heel goed bewaakt worden. Dan is er wel een stok achter de deur.”

Maar hoe doen al die Daltonscholen dat dan?

“Cru gezegd moeten die allemaal zelf het wiel uitvinden. De lesmethodes in Nederland worden ontwikkeld door commerciële uitgevers, en die doen dat natuurlijk alleen voor klassikaal lesgeven, anders levert het geen winst op. Toen ik laatst op een Daltonschool in Assen was, zei ik dat wij iets willen maken voor hun rekenonderwijs, met instruerende taken en bijpassende toetsen. Die directeur sprong een gat in de lucht. Ze hadden daar zelf wat in elkaar geknipt uit oude methodes, erg onbevredigend. De vraag is of dit wel een taak is van het Cito.”

Heerst er op de gewone basisschool dan zo'n prestatiegerichte cultuur?

“Nee, er is nog altijd te veel vrijblijvendheid. Het voortgezet onderwijs heeft het eindexamen: een duidelijk doel. Het basisonderwijs heeft zoiets niet. Daar is een vak iets 'waar aandacht aan moet worden besteed', niet iets waarin aantoonbare resultaten moeten worden gehaald. De wet op het basisonderwijs voerde wel kerndoelen in, maar daaraan hoefde alleen 'aandacht' te worden besteed. En al die kerndoelen voor rekenen, taal, muziek, gezondheid, enzovoorts zijn veel te globaal en niet goed afgewogen. Ik heb nog nooit een argumentatie gelezen waarom kinderen al deze kerndoelen met deze inhoud moeten bereiken of waarom ze haalbaar zijn.

“Uit de periodieke peilingen blijkt bijvoorbeeld dat kinderen moeite hebben met het schrijven van een eenvoudig briefje. Is dat dan te veel gevraagd, of wordt die vaardigheid ten onrechte verwaarloosd in het programma? We weten het niet. We zullen zorgvuldig moeten kiezen. Onlangs bleek uit onze tweede rekenpeiling dat het hoofdrekenen, dat eerst slecht ging, nu een stuk beter gaat. Maar dat blijkt wel ten koste te gaan van het gewoon sommen maken op papier. De individuele school en leerkracht moeten nu maar zien hoe ze die dilemma's oplossen.”