Twee krokodillen die hun maag moeten delen; Groots eerbetoon aan Afrikaanse kunst en cultuur

Afrikaanse voorwerpen uit verschillende regio's en eeuwen, van Egyptische mummies tot een Tanzaniaanse drum met benen, worden in Londen als kunst gepresenteerd op de expositie Africa: The Art of a Continent. “Op alle fronten heeft de Royal Academy zich zorgvuldig ingedekt tegen het gevaar van eurocentrisme.”

Africa. The Art of a continent. Royal Academy of Arts, Londen. T/m 21 jan. Dag. 10-18u. Catalogus 613 blz. Prijs ƒ 73,50.

Welk westers museum zou het in zijn hoofd halen een tentoonstelling te organiseren met als titel 'Europa: de kunst van een werelddeel', waarin alle tijden en materialen vertegenwoordigd zouden zijn, vanaf de oudste vuistbijlen, rotstekeningen en aardewerk tot en met muziekinstrumenten, sieraden, kleren en beeldhouwkunst uit de erste helft van onze eeuw? De keuzes zouden vooral veel zeggen over de makers van zo'n expositie en ongetwijfeld van vele kanten aangevochten worden: waarom dit wel en dat niet?

Toch hebben de organisatoren van 'Africa 95' in Londen, een groots en veelzijdig eerbetoon aan Afrikaanse kunst en cultuur, zich aan een soortgelijke expositie over Afrika gewaagd. De makers van Africa: The Art of a Continent in de Royal Academy, pièce de résistance van 'Africa 95', hebben Afrika weliswaar als een geografische en niet als een culturele eenheid opgevat; als een continent waarvan de eenheid vooral verscheidenheid is. Maar dan nog.

Bovendien kun je je afvragen wat kunst in dit verband betekent? Aan veel van de hier getoonde voorwerpen kenden de culturen van herkomst niet in de eerste plaats en esthetische functie toe, maar dat ze goed en mooi gemaakt waren, was daar natuurlijk evenzeer een vereiste als bijvoorbeeld bij religieuze kunst in de westerse cultuur. l'Art pour l'art is een recent verschijnsel. Het onderscheid tussen functionele en esthetische artefacten en tussen de schone kunsten en decoratieve kunst is bij deze tentoonstelling niet gemaakt.

Op alle fronten heeft de Royal Academy zich zorgvuldig ingedekt tegen het gevaar van eurocentrisme. Bij de voorbereiding is van vele kanten kennis aangedragen en samengewerkt met velen. De Afrikaanse presidenten Mandela en Senghor vormen samen met koningin Elizabeth een schild als comité van patronage. Het gaat, zo erkent de inleiding bij de catalogus, om een stoutmoedige onderneming die niemand ooit eerder heeft aangedurfd. Het is een momentopname van een complexe ontmoeting. Een ontmoeting van de bezoeker nu, in een Europese metropool, met voorwerpen die andere betekenissen hadden voor andere mensen op andere plaatsen. De voorwerpen worden niet in etnologische kaders gepresenteerd, maar als kunst, en dat mist zijn uitwerking niet: de omlijsting van de Royal Academy doet op grandioze wijze recht aan hun fascinerende kracht en allure.

Er zijn zeven grote regionale secties waarlangs bezoekers een onvergetelijke reis maken naar Egypte via Oost- naar Zuidelijk Afrika, vanwaar ze verder gaan naar Centraal-Afrika en West-Afrika om via de Sahel terug te keren naar Noord-Afrika.

Handbijl

Het oudste voorwerp, een in Tanzania in 1934 opgegraven handbijl, is meer dan anderhalf miljoen jaar geleden gemaakt. Het vormt voor zover bekend wereldwijd het prille begin van de menselijke traditie van het maken van artefacten.

We komen binnen bij het oude Egypte, hier gepresenteerd samen met Nubië, dat vroeger wel beschouwd werd als het voorportaal van Afrika. Temidden van mummies, sieraden hoofdsteunen en beelden van mensen en dieren, trekken een door geheimzinnigheid omgeven lapis lazuli vrouwenbeeldje uit de eerste en een albasten koningin met op haar schoot een koning uit de zesde dynastie onweerstaanbaar de aandacht.

Geleidelijk beginnen overeenkomsten en verschillen op te vallen: je komt bijvoorbeeld in verschillende regio's grafbeelden tegen. Ze stralen allemaal droefgeestigheid uit en beschouwing, maar ze onderscheiden zich door gebruikte materialen, afmetingen, vormen en functies: de Konso (Ethiopië) beelden de mannelijkheid van een held na zijn dood af met fallische nadruk, zowel in hun grafstenen als in soms meer dan twee meter hoge fragiele houten paalvormige beelden waarvan zowel het hoofd als de onderbuik de potentie als kenmerk van kracht van de betrokkene in herinnering brengen. Bij de Giryama in Kenia zijn grafbeelden ongeveer even hoog. Ze zijn, op het hoofd na, plankvormig en versierd met ingesneden driehoekjes: ze dienen om de vrijgekomen geesten van de doden een goed heenkomen - in feite een nieuw lichaam - te verschaffen.

Met liefde en toewijding gemaakte hoofdsteunen komen in heel Afrika voor, met geometrische motieven bewerkt of heel ingenieus gebeeldhouwd in de vorm van mens of dier. Los van elkaar hebben mensen vanaf de predynastische tijd in Egypte tot in hedendaags Zuidelijk Afrika struisvogeleieren als readymade potten gebruikt die door decoratie van elkaar te onderscheiden zijn. Zo zijn allerlei dwarsverbanden aan te brengen.

De verzameling Ashanti bronzen goudgewichtjes is schitterend, ze zijn er in vele soorten en maten: echtparen, koningen, ruiters, musici, dieren en geometrische vormen. Bijvoorbeeld de twee krokodillen in kruisvorm die ieder een eigen kop en staart hebben, maar één maag moeten delen. Bij de gewichtjes horen vaak oude verhalen of zegswijzen. Zoals in dit geval een oud spreekwoord, dat gebruikers herinnert aan medemenselijkheid en solidariteit: als de een te eten heeft, eet de ander mee. De gewichtjes dienden vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw om stofgoud te wegen. Een aantal bestaat uit materiaal dat afkomstig is van Engelse koloniale badkamerkranen - Afrika is een voorbeeld voor de mensheid als het gaat om hergebruik van materiaal, en niet alleen in de kunst.

Veel voorwerpen zouden door de surrealisten met gejuich begroet zijn: een waterpijp in de vorm van een geestige, zittende figuur met enkelringen bijvoorbeeld. Of een drum met benen (beide Makonde, Tanzania/Mozambique) die Magritte geïnspireerd zou kunnen hebben bij zijn schilderijen van vrouwen zonder hoofd.

Bijzettafeltje

Van de meeste voorwerpen is de maker onbekend, maar af en toe duikt een naam op: het Bamileke beeld van de zittende koningin die met haar armen rust op een gestileerde olifantskop werd in 1915 gemaakt door Kamteu die in zijn streek in Kameroen een gevierd kunstenaar was. Ze straalt kracht uit en zekerheid, ondanks haar dienende functie als bijzettafeltje naast de troon: vroeger droeg ze de kalebas die rituele voorwerpen van de heersende vorst bevatte.

Beelden staan her en der in groepen opgesteld, alsof ze samenscholen. Ze zijn er allemaal: de Luba, de Tsjokwe, de Dogon, de Dan, de Igbo, de Yoruba, en nog zoveel andere culturen, bekende en onbekende. Maskers uit Centraal- en West-Afrika zijn in Europa al zo vaak getoond dat ze er een soort canon vormen van de Afrikaanse kunst, samen met de bronzen van Banin. Ook die zijn vertegenwoordigd. Maar er zijn ook minder bekende gezichten waar je ademloos naar blijft kijken, zoals twee negentiende-eeuwse Fang maskers uit Gabon. Ze lijken sereen en verstild, maar dat is schijn. Ze zijn hier immers niet in hun ware performance-gedaante: daar horen onder andere veel haar van raffia bij en een danskostuum, drumritmes, gezang en beweging. Pas dan ontstaat volgens ingewijden een angstaanjagend halfmenselijk wezen dat boze krachten kan verjagen.

Rondlopend in de meest indrukwekkende tentoonstelling van Afrikaanse kunst die ik ooit zag, denk ik terug aan een klein regionaal museum in Zaïre, waar ik jaren geleden, als docent Afrikaanse literatuur aan de Université Nationale, met een collega op excursie was met onze propedeuse-studenten. De conservator bleek ziek en een bewaker bood zich spontaan in zijn plaats aan als gids. Aangekomen bij de afdeling maskers en fetisjen deinsden sommige studenten geschrokken achteruit bij de aanblik van wat in hun culturen omgeven was met mysterie en taboe: veel van deze voorwerpen werden uitsluitend gedragen of beheerd door priesters, tovenaars of leden van geheime genootschappen, en waren vanwege hun uitzonderlijke kracht niet toegankelijk of zichtbaar voor gewone stervelingen.

De gids knikte begrijpend: “Ja ja, die bordjes 'niet aanraken svp' staan er niet voor niets bij.” Mijn Zaïrese collega, de pedagoog, wilde de angst van zijn studenten doorbreken en vroeg me samen met hem de voorwerpen aan te raken. De gids waarschuwde dat het museum op geen enkele manier aansprakelijk gesteld kon worden voor de gevolgen. Er ging een schok door de groep toen wij de magische voorwerpen, grigris, maskers en spijkerfetisjen in onze handen namen. Op de terugweg brandde een emotionele discussie los: de krachten waarmee wij opzettelijk in contact waren geweest, zouden zich vast en zeker tegen ons keren.

Iets van die kracht en dreiging moet ook Picasso gevoeld hebben toen hij in 1907 in het Trocadero Museum in Parijs oog in oog stond met oude maskers, beelden en andere mysterieuze voorwerpen. Hij wilde weglopen, maar bleef en begreep (zoals hij in interviews verklaard heeft) dat die voorwerpen een sacraal doel dienden: bemiddelen tussen mensen en de hen omringende krachten. In de woorden van Picasso: 'Op dat moment begreep ik waar schilderen over gaat. Schilderen is geen esthetische operatie; het is een vorm van magie die bedoeld is om te bemiddelen tussen de vreemde, vijandige wereld en onszelf, een manier om ons macht toe te eigenen door vorm te geven aan onze angsten en onze verlangens. Toen ik me dat had gerealiseerd, wist ik dat ik mijn weg had gevonden.'

Aan het eind van de expositie ga ik nog even terug naar Mali. Een knielende getatoeëerde vrouw met slang valt me nu pas op in de rijke collectie terracotta's uit Djenné, hier de buren van Dogon beelden, zittend, staand, te paard of balafon spelend. Ik kijk nog even naar het tweelingbeeld. Een scheppingsverhaal vertelt dat de eerste mensen als tweelingen bijzondere levenskracht hadden: ze zijn een zegen. Het beeld is gemaakt uit één stuk: twee individuen die elkaar moeten dragen, om de beurt, door de verschillende tijden van het leven heen. Het staat voor de Dogon familie of het dorp, maar wat mij betreft ook voor scheppende energie van de familie van de culturen.